ECLI:NL:RBSGR:2004:AO3622
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel in aanmeldcentrumprocedure na onvoldoende geloofwaardigheid en ontbreken documenten
Verzoeker, een staatloos Palestijn afkomstig uit Gaza, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de Immigratie- en Naturalisatiedienst werd afgewezen binnen de 48-uurstermijn van de aanmeldcentrumprocedure. Verzoeker voerde aan dat hij vanwege zijn achtergrond en gevreesde vervolging recht had op bescherming, maar kon zijn identiteit en reisroute onvoldoende onderbouwen met documenten, die hij naar eigen zeggen aan een reisagent had overgedragen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de fouillering van verzoeker, uitgevoerd vóór aanvang van de 48-uurstermijn, een conservatoire maatregel was en het onderzoek naar de aanvraag nog niet was gestart. Hierdoor was de termijn correct toegepast. De fysieke toestand van verzoeker tijdens de gehoren werd beoordeeld als onvoldoende belemmerend voor een adequaat verhoor, ondanks klachten over concentratie en ziekte.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker tegenstrijdige verklaringen gaf over zijn verblijfplaatsen en onvoldoende bewijs leverde van zijn identiteit en nationaliteit. De afwezigheid van reis- en identiteitspapieren kon hem worden toegerekend, aangezien hij niet aannemelijk had gemaakt dat het ontbreken hiervan niet aan hem te wijten was. De aanvraag werd daarom terecht afgewezen en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.