ECLI:NL:RBSGR:2003:AO0419
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.J. Voncken
- B.W.P.M. Corbeij-Smits
- J.M.E. Derks
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning bij zoon wegens onvoldoende gezinsleven en economisch belang Nederland
Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn minderjarige zoon C, geboren uit een relatie met mevrouw B. De aanvraag werd afgewezen omdat de relatie met mevrouw B was beëindigd, er geen omgangsregeling bestond, eiser niet substantieel bijdroeg aan de verzorging en opvoeding van zijn zoon en geen gezagsrelatie had.
De rechtbank overwoog dat er wel sprake was van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, maar dat de beoordeling ex tunc moest plaatsvinden, waarbij alleen feiten en omstandigheden ten tijde van het besluit relevant zijn. Nieuwe feiten zoals een latere omgangsregeling konden niet worden meegewogen.
De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het economisch welzijn van Nederland zwaarder weegt dan het belang van eiser bij verblijf in Nederland. Eiser had nooit een verblijfstitel gehad en kon het gezinsleven buiten Nederland voortzetten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.