ECLI:NL:RBSGR:2003:AN7312
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na ongewenstverklaring en afwijzing verblijfsvergunning
Eiser, van Bosnische nationaliteit, is ongewenst verklaard en zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier is afgewezen met een vertrektermijn van vier weken. Binnen deze termijn is hij in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank constateert dat hoewel niet duidelijk is waarom de gebruikelijke vertrektermijn van nul dagen niet is toegepast, de bewaring rechtmatig is omdat eiser geen rechtmatig verblijf kan hebben.
Eiser was eerder tweemaal uitgezet en heeft niet aangetoond dat hij de vertrektermijn wilde benutten om zijn vertrek voor te bereiden. Daarnaast is hij verdacht van het plegen van een misdrijf, wat mede het onttrekkingsgevaar versterkt. De rechtbank verwerpt het verweer dat de ophouding onrechtmatig was, omdat de identiteit van eiser bekend was en hij zich op een plaats voor verhoor bevond.
Hoewel eiser een partner en kinderen in Nederland heeft en praktische zaken te regelen had, acht de rechtbank dit geen reden om de bewaring onrechtmatig te verklaren. De rechtbank concludeert dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt en dat de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring.