ECLI:NL:RBSGR:2003:AN4563
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- De Boer
- Kuijer
- Van Maurik
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart officier van justitie niet-ontvankelijk wegens ernstige overschrijding redelijke termijn in moordzaak
In deze strafzaak wordt verdachte verweten levensbeëindigende handelingen te hebben verricht op 28 april 1999, waarop hij ook melding deed. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, ernstig is overschreden. De aanvang van deze termijn wordt door de rechtbank vastgesteld op 6 september 2000, de datum van het eerste politieverhoor van verdachte.
Het gerechtelijk vooronderzoek vond plaats in 2001, waarna medio november 2001 een kennisgeving van vervolging aan verdachte werd betekend. Pas op 25 februari 2003 gaf het College van Procureurs-Generaal toestemming tot dagvaarding. De officier van justitie heeft geen geldige redenen gegeven voor de vertraging.
De rechtbank weegt het belang van verdachte bij een tijdige berechting tegen het maatschappelijk belang van normhandhaving. Hoewel het feit ernstig is, oordeelt de rechtbank dat de term 'moord' in deze context vooral juridisch-technisch is en dat de grote vertraging het belang van verdachte zwaar laat wegen. Gezien de jurisprudentie en de aard van de zaak acht de rechtbank alleen niet-ontvankelijkheid passend als sanctie.
Daarom verklaart de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn.