ECLI:NL:RBSGR:2003:AM7801
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Toewijzing van voortgezet verblijf aan Turkse vader op grond van artikel 8 EVRM ondanks verbreking huwelijk
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende man, had een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn Nederlandse echtgenote. Na feitelijke verbreking van het huwelijk vroeg hij verlenging van zijn vergunning en wijziging van de beperkingen. De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van het Associatiebesluit 1/80 voor voortgezet verblijf op arbeidsterrein, omdat de overgelegde arbeidsovereenkomst pas in beroep was ingediend en niet kon worden betrokken.
Wel stond vast dat tussen eiser en zijn Nederlandse zoon een gezinsleven bestond op grond van artikel 8 EVRM Pro. Het niet toestaan van verblijf betekende een inmenging in dit gezinsleven. De rechtbank stelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom deze inmenging gerechtvaardigd was, mede gelet op jurisprudentie van het EHRM (Ciliz-arrest) en TBV 2001/12.
De omgangsregeling van anderhalf uur per week werd als voldoende beschouwd, mede gezien de jonge leeftijd van het kind en de afstand tussen Turkije en Nederland. De rechtbank achtte voortzetting van regelmatige omgang vanuit Turkije niet realiseerbaar, en vond dat het belang van eiser in het gezinsleven opweegt tegen het algemeen belang van verweerder.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierechten, en verbood de uitzetting van eiser totdat op het bezwaar was beslist. Hiermee werd het beroep gegrond verklaard en een voorlopige voorziening getroffen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitzetting van eiser wordt verboden totdat op het bezwaar is beslist.