ECLI:NL:RBSGR:2003:AM3131
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid en belangenafweging bij bewaring vreemdeling uit Congo
De vreemdeling, afkomstig uit de Democratische Republiek Congo (DRC), is op 29 juli 2003 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Namens de vreemdeling werd aangevoerd dat niet duidelijk was waarop de verwachting was gebaseerd dat de noodzakelijke documenten voor terugkeer binnen korte termijn beschikbaar zouden zijn. Tevens werd betoogd dat geen belangenafweging had plaatsgevonden en dat sprake zou zijn van een groepsuitzetting.
De rechtbank overwoog dat verweerder in overleg met de autoriteiten van de DRC een project was gestart om de terugkeer van een groot aantal vreemdelingen te bevorderen. Er was bekend dat een delegatie van immigratiedeskundigen uit de DRC in de week na de inbewaringstelling in Nederland aanwezig zou zijn, waarbij de vreemdeling zou worden gepresenteerd. Dit vormde de grondslag voor de verwachting dat de benodigde documenten spoedig beschikbaar zouden zijn.
Verder stelde de rechtbank vast dat er wel degelijk een belangenafweging had plaatsgevonden, waarbij het algemeen belang zwaarder woog dan het belang van de vreemdeling. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake was van een groepsuitzetting, omdat iedere vreemdeling individueel wordt gepresenteerd en beoordeeld.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 en dat de maatregel in redelijkheid gerechtvaardigd is. Het beroep tegen de bewaring werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.