ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1558

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
25 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 03/29663
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A. van Sonsbeeck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw2000Art. 94 Vw2000Art. 4.21 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewaring en zicht op uitzetting van Somalische vreemdeling

De vreemdeling, met de Somalische nationaliteit, werd op 19 mei 2003 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank behandelde het beroep op 28 mei en 11 juni 2003, waarbij de vreemdeling in persoon en bijgestaan door zijn gemachtigde aanwezig was. De rechtbank heropende het onderzoek en vroeg nadere informatie over het zicht op uitzetting naar Somalië.

Verweerder verstrekte op 13 juni 2003 een brief waarin werd toegelicht dat in 2003 vijftien personen gedwongen naar Somalië waren teruggekeerd via het Nairobi-traject. Dit traject houdt in dat de vreemdeling vanuit Schiphol naar Nairobi wordt verwijderd onder begeleiding, en vervolgens door Keniaanse immigratieautoriteiten naar Galkayo in Somalië wordt gebracht, een relatief veilig gebied. De vreemdeling beschikt over een geldig Somalisch paspoort en een vliegticket voor het traject Nairobi-Galkayo.

De vreemdeling betoogde dat onvoldoende zicht op uitzetting bestond vanwege de situatie in Somalië, maar de rechtbank oordeelde dat op basis van de ontvangen informatie voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. De rechtbank vond ook dat de bewaring rechtmatig was toegepast, gelet op het ontbreken van identiteitspapieren, het niet naleven van vertrektermijn, en eerdere veroordelingen van de vreemdeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en de bewaring gehandhaafd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de bewaring van de Somalische vreemdeling wegens voldoende zicht op uitzetting.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
bewaring
nevenzittingsplaats Rotterdam
__________________________________________________
UITSPRAAK
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 03/29663-VRONTN
Inzake : A, hierna te noemen de vreemdeling,
gemachtigde mr. ir. A.G.J. Mak, advocaat te Rotterdam,
tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1. De vreemdeling heeft gesteld de Somalische nationaliteit te hebben.
2. Op 21 mei 2003 is de rechtbank in kennis gesteld van de vrijheidsontneming, door middel van een kennisgeving van verweerder ex artikel 94, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw2000).
3. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 28 mei 2003. Ter zitting is de vreemdeling in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde I. Veltman. Tevens was aanwezig P.J. Raalte, tolk in de Engelse taal.
4. De rechtbank heeft, na sluiting van het onderzoek ter zitting, op 3 juni 2003 het onderzoek heropend. De rechtbank heeft partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt voortgezet op de zitting van 11 juni 2003. De openbare behandeling van het beroep heeft op 11 juni 2003 plaatsgevonden. Ter zitting is de vreemdeling in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde G.D. Tjou Tam Sin. Tevens was aanwezig J.A. Heere-Nickolson, tolk in de Engelse taal.
5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op vragen van de rechtbank ten aanzien van het zicht op uitzetting naar Somalië.
6. Bij brief van 13 juni 2003 heeft verweerder de rechtbank zijn reactie doen toekomen.
7. Bij brief van 18 juni 2003 heeft gemachtigde van de vreemdeling gereageerd op verweerders faxbericht van 13 juni 2003.
8. Met toestemming van partijen is bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling bij besluit van 19 mei 2003 in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000.
2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.
3. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze is toegepast.
4. De rechtbank is voorts van oordeel dat de vreemdeling op goede gronden krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000, in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting, in bewaring is gesteld. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vreemdeling niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn. Daarnaast is gebleken dat de vreemdeling is veroordeeld voor diverse misdrijven. Bij besluit van 3 juni 2003 heeft verweerder de vreemdeling ongewenst verklaard.
5. Namens de vreemdeling is betoogd dat er onvoldoende zicht op uitzetting bestaat omdat de vreemdeling afkomstig is uit Somalië.
Naar aanleiding van dit betoog heeft verweerder op verzoek van de rechtbank in de brief van 13 juni 2003 nadere informatie gegeven over de uitzetbaarheid naar Somalië. In de brief is uiteengezet dat in 2003 tot nu toe vijftien personen gedwongen zijn teruggekeerd naar Somalië. Uit voornoemd schrijven blijkt dat thans uitzetting onder dwang kan worden gerealiseerd via het zogenoemde "Nairobi-traject". Via dit traject zijn in 2003 tot nu toe 13 personen teruggekeerd. De vreemdeling wordt vanuit Schiphol verwijderd naar Nairobi op basis van een EU-document onder begeleiding van ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee. Bij aankomst in Nairobi wordt de vreemdeling begeleid door de Keniaanse immigratieautoriteiten en een verbindingsofficier van de IND. De vreemdeling wordt in het bezit gesteld van een vliegticket voor het traject Nairobi-Galkayo en een geldig Somalisch nationaal paspoort. Galkayo is gelegen in de provincie Mudug. Deze provincie behoort tot het relatief veilige deel van Somalië.
De rechtbank is op grond van de ontvangen informatie van oordeel dat voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Overigens heeft de vreemdeling bij de behandeling ter zitting van 11 juni 2003 verklaard naar Mogadishu, zijn plaats van herkomst, terug te willen keren.
6. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat verweerder in de brief van 13 juni 2003 geen informatie verschaft over hoe het de vijftien uitgezette Somaliërs is vergaan na hun aankomst in Somalië.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het inwinnen van nadere informatie hieromtrent nu dit aspect aan de orde moet worden gesteld in een asielprocedure. Overigens is de provincie Mudug als een relatief veilig gebied aangemerkt.
7. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.
8. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding de opheffing van de maatregel te bevelen.
9. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
III. BESLISSING
De rechtbank 's-Gravenhage:
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. A. van Sonsbeeck rechter en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003, in tegenwoordigheid van R.A.M. van der Heijde.
De griffier, De rechter,
RECHTSMIDDEL
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden. Ter zake van de beslissing inzake de gevorderde schadevergoeding staat geen hoger beroep open.
Afschrift verzonden op: 25 juni 2003