ECLI:NL:RBSGR:2003:AH9696
Rechtbank 's-Gravenhage
- Schadevergoedingsuitspraak
- E.H.B.M. Potters
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortzetting vreemdelingenbewaring en schadevergoeding
De vreemdeling is in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000, aanvankelijk onder lid b en later omgezet naar lid a na een ongewenstverklaring. De bewaring is een voortzetting van een eerdere inbewaringstelling, die door strafrechtelijke detentie tijdelijk werd onderbroken. De rechtbank beoordeelt of er voldoende perspectief is op uitzetting en of de bewaring redelijk en gerechtvaardigd is.
De vreemdeling verweert zich door te stellen dat de bewaring al meer dan zes maanden duurt zonder concrete aanwijzingen voor uitzetting en dat de overheid onvoldoende voortvarend handelt. Ook wordt een schadevergoeding gevraagd. De rechtbank constateert dat de vreemdeling is gepresenteerd bij de Azerbeidjaanse autoriteiten en dat pogingen worden gedaan een laissez-passer te verkrijgen, mede voor Armenië, ondanks medewerkingweigering van de vreemdeling.
De rechtbank concludeert dat er voldoende zicht is op uitzetting en dat de vreemdeling het onderzoek frustreert door medewerking te weigeren. Gelet op de belangenafweging weegt het belang van de overheid bij voortzetting van de bewaring zwaarder dan het belang van de vreemdeling bij vrijlating. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de bewaring niet is opgeheven. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.