ECLI:NL:RBSGR:2003:AH9629

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
2 mei 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 03/22195
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 4:2 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechter wijst beroep toe wegens onvoldoende zorgvuldigheid bij afwijzing asielaanvraag

Verzoekster, een Servisch-Montenegrijnse vrouw, diende op 7 april 2003 een asielaanvraag in. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees de aanvraag op 10 april 2003 af, mede omdat verzoekster niet over originele identiteits- en reisdocumenten beschikte. Verzoekster was kort tevoren gewezen op het belang van het overleggen van deze documenten en gaf aan deze alsnog te zullen proberen te verkrijgen.

De rechtbank oordeelt dat de termijn van twee dagen tussen het wijzen op het belang van documenten en het nemen van de beschikking onvoldoende was om de originele documenten vanuit het buitenland te verkrijgen. Hoewel verzoekster kort na de beschikking gefaxte documenten overlegde, woog de IND het ontbreken van originele stukken mee in de afwijzing, waardoor de zorgvuldigheid in de besluitvorming ontbrak.

Verzoekster voerde verder aan ernstig getraumatiseerd te zijn door verkrachting in 1999 en dat zij daarom aanspraak maakte op een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid. De rechtbank constateert dat de zaak niet geschikt was voor afdoening in het aanmeldcentrum en verklaart het beroep gegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van verzoekster wordt gegrond verklaard en de afwijzing van haar asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid.

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE
nevenzittingsplaats Zwolle
sector vreemdelingenrecht
voorzieningenrechter
regnr.: Awb 03/22195
UITSPRAAK
inzake: A,
geboren op [...] 1979,
burger van Servië en Montenegro,
IND dossiernummer 0304.07.0405,
gemachtigde: mr. P.L.P. van Aalst, advocaat te Arnhem,
verzoekster;
tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te 's-Gravenhage,
vertegenwoordigd door mr. A.J.P.M. Vos,
ambtenaar ten departemente, verweerder.
1 Procesverloop
1.1 Op 7 april 2003 heeft verzoekster een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij beschikking van 10 april 2003, uitgereikt 11 april 2003, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij brief van 11 april 2003 is daartegen beroep ingesteld.
1.2 Verzoekster mag de behandeling van het beroep niet in Nederland afwachten. Bij verzoekschrift van 11 april 2003 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in beroep is beslist. Het verzoek is ter zitting van 25 april 2003 behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
2 Toetsingskader
2.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat voldaan wordt aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoekster in afwachting van de beslissing op beroep moet worden verboden. Daarbij zal onder meer worden betrokken de vraag of geen twijfel kan bestaan dat verzoekster geen verdragsvluchteling is dan wel de beslissing niet in strijd is met andere rechtsregels. Aangezien verweerder de aanvraag heeft afgewezen in het aanmeldcentrum (AC) dient tevens beoordeeld te worden of de aanvraag in dat kader op zorgvuldige wijze is afgedaan.
3 Standpunten
3.1 Het asielrelaas van verzoekster komt op het volgende neer. Verzoekster is Sandjak moslim en afkomstig uit Montenegro. In het voorjaar van 1999 is verzoekster samen met haar moeder door vijf of zes Servische soldaten verkracht. Verzoekster is daarna naar haar tante gegaan. Verzoekster leefde sinds de verkrachting voortdurend in angst, omdat zij bang was opnieuw te worden verkracht. Op 12 maart 2003 heeft verzoekster haar land van herkomst verlaten.
3.2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoekster toerekenbaar niet over identiteits- en reisdocumenten beschikt. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat verzoekster na de verkrachting in 1999 geen problemen meer heeft ondervonden van het Servische leger of de Servische autoriteiten. Haar vrees dat zij in de toekomst opnieuw problemen kan ondervinden met het Servische leger is niet aannemelijk gemaakt. Bovendien kan verzoekster in een voorkomend geval de bescherming of hulp inroepen van de Montenegrijnse autoriteiten. Verzoekster komt niet in aanmerking voor toelating op grond van het traumatabeleid, omdat niet aannemelijk is dat de verkrachting in 1999 de aanleiding is geweest om haar land van herkomst te verlaten.
3.3 Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij afhankelijk was van de reisagent en dat zij in opdracht geen documenten heeft meegenomen. Daarnaast heeft de moeder van verzoekster bij haar aanvraag in Nederland al de geboorteakte van verzoekster overgelegd, die is ingenomen door de Vreemdelingendienst. Verzoekster stelt dat zij door de verkrachting in 1999 ernstig getraumatiseerd is geraakt. Zij had geen toegang tot adequate hulpverlening. Ook konden de Montenegrijnse autoriteiten in en na 1999 geen bescherming bieden tegen de vrijelijk in Montenegro opererende Servische militairen. Verder heeft verzoekster aangevoerd dat zij in het bezit dient te worden gesteld van een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid. De moeder van verzoekster is vanwege de verkrachting in 1999 in het bezit gesteld van deze verblijfsvergunning. Verzoekster heeft tot op heden de verkrachting niet kunnen verwerken en was vanwege haar psychische gesteldheid niet eerder in staat haar land van herkomst te verlaten. Gezien de ernst van het trauma van verzoekster had verweerder advies moeten inwinnen bij het Bureau Medische Advisering (BMA).
4 Overwegingen
4.1 Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat haar beroep enkel is gericht tegen de weigering haar in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000.
4.2 Artikel 3.2 Awb bepaalt dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Het bestuursorgaan moet dus zorgen voor een deugdelijke grondslag van zijn besluit en draagt de eindverantwoordelijkheid voor een zorgvuldige, gedegen besluitvorming. De aanvrager dient ingevolge artikel 4:2 Awb Pro de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Uit de verplichtingen van het bestuursorgaan vloeit voort dat het bestuursorgaan de aanvrager genoegzaam en tijdig over de verplichting tot het overleggen van gegevens en bescheiden dient te informeren, voldoende gelegenheid dient te geven om aan deze verplichting te voldoen en de mogelijkheid tot herstel van eventuele verzuimen dient te bieden.
Verzoekster heeft op 7 april 2003 verzocht om toelating als vluchteling. Tijdens het eerste gehoor dat op 8 april 2003 is gehouden is verzoekster gewezen op het belang dat door de Nederlandse autoriteiten in het kader van de asielaanvraag wordt gehecht aan de vaststelling van identiteit en nationaliteit, alsmede de wijze waarop en de route waarlangs naar Nederland is gereisd. Daarnaast is verzoekster erop gewezen dat, indien zij enig document in haar bezit heeft dat de identiteit, nationaliteit en reisroute kan ondersteunen, zij dit dient over te leggen. Verzoekster heeft aangegeven dat zij dergelijke documenten niet mee naar Nederland heeft genomen. In de zienswijze van 10 april 2003 heeft verzoekster aangegeven dat zij zal proberen alsnog haar documenten naar Nederland te laten komen. Deze documenten bevinden zich bij haar oma en kunnen per post naar Nederland worden gezonden. Omdat dit enige tijd in beslag zal nemen, vraagt verzoekster haar deze tijd te geven en haar zaak door te zenden naar een onderzoekscentrum (OC). Daarnaast heeft verzoekster de eerste gehoren uit de asielprocedure van haar vader, zus en broer overgelegd, waarin zij als gezinslid wordt genoemd. Haar vader en broer hebben bij hun asielaanvragen wel identiteitsdocumenten overgelegd. Verweerder heeft vervolgens bij beschikking van 10 april 2003 de asielaanvraag afgewezen. Bij de gronden van beroep heeft verzoekster een gefaxt uittreksel van het geboorteregister en een gefaxte nationaliteitsverklaring overgelegd.
Nu de afwijzing van de asielaanvraag mede is gebaseerd op artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000, dient te worden beoordeeld of verzoekster, nadat zij was gewezen op het belang van documenten, voldoende gelegenheid heeft gehad om de gevraagde documenten over te leggen. Gebleken is dat tussen het moment waarop verzoekster is gewezen op het belang van documenten en het moment waarop de bestreden beschikking is genomen twee dagen zijn verstreken. Niet gesteld kan worden dat deze termijn verzoekster voldoende gelegenheid gaf de (originele) documenten vanuit haar land van herkomst naar Nederland te laten komen. De rechter wijst er in dat verband op dat verzoekster kort na de bestreden beschikking een gefaxt uittreksel van het geboorteregister en een gefaxte nationaliteitsverklaring over heeft gelegd. Nu het ontbreken van (originele) documenten heeft meegewogen bij de afwijzing van de asielaanvraag, kan niet worden geoordeeld dat de asielaanvraag in het AC op zorgvuldige wijze is afgedaan. Verweerder heeft bij de voorbereiding van de bestreden beschikking niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen
4.3 Gelet op het vorenstaande leende de asielaanvraag zich niet voor afdoening in het AC. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden, verklaart de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:86 Awb Pro, het beroep gegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt, gelet op de gegrondverklaring van het beroep, afgewezen.
4.4 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.
5 BESLISSING
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beschikking van 10 april 2003;
- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de aanvraag;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten ad € 966,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan verzoekster dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.N.M. van de Beld als griffier op 2 mei 2003
Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kunnen partijen binnen één week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.
Artikel 85 Vw Pro 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb Pro (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Afschrift verzonden: 2 mei 2003