ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9317
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- G. Panday
- F. Salomon
- Rechtspraak.nl
Toepassing hardheidsclausule bij mvv-vereiste voor verblijfsvergunning
Verzoeker, van Ghanese nationaliteit, vroeg op 12 december 2002 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan om bij zijn Nederlandse echtgenote en kinderen te verblijven. De Minister voor Vreemdelingenzaken wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), een vereiste volgens de Vreemdelingenwet 2000.
Verzoeker beschikte niet over een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte, wat volgens het beleid van de Minister van Buitenlandse Zaken noodzakelijk is voor het verkrijgen van een mvv. Verzoeker betoogde dat hij de hardheidsclausule toegepast moest krijgen omdat hij de geboorteakte niet kon verkrijgen en zijn identiteit inmiddels langs andere weg was vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat de identiteit van verzoeker inderdaad op andere wijze was komen vast te staan, mede gelet op een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Hierdoor moest de Minister beoordelen of het mvv-vereiste nog redelijkerwijs tegen verzoeker kon worden toegepast. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond, verbood uitzetting gedurende de bezwaarfase en beval een nieuwe beslissing binnen zes weken.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd de Staat der Nederlanden aangewezen voor vergoeding van het griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het bezwaar wordt gegrond verklaard en verweerder moet binnen zes weken een nieuwe beslissing nemen waarbij het mvv-vereiste opnieuw wordt beoordeeld.