ECLI:NL:RBSGR:2003:AF8137
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling op grond van ongewenstverklaring en Europees Vestigingsverdrag
Verzoeker, een Turkse onderdaan, is bij vonnis van het Landesgericht Karlsruhe veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar en negen maanden wegens drugssmokkel. Verweerder heeft daarop de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning afgewezen en verzoeker ongewenst verklaard. Verzoeker maakte tijdig bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker aan de voorwaarden van artikel 7.2, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 voldoet, waaronder het rechtmatig verblijf van meer dan twee jaar voorafgaand aan het einde van het verblijf en het feit dat Turkije partij is bij het Europees Vestigingsverdrag. Hierdoor blijft uitzetting achterwege totdat op het bezwaar is beslist.
De rechter oordeelt dat verweerder in redelijkheid tot ongewenstverklaring heeft kunnen besluiten op grond van de strafrechtelijke veroordeling en het gevaar voor de openbare orde. De voorlopige voorziening wordt toegewezen, waarbij verweerder wordt verboden om uitzetting of voorbereidingen daartoe te treffen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoeker wordt verboden totdat op het bezwaar is beslist.