ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7867
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Toekenning verblijfsvergunning wegens reëel risico op onmenselijke behandeling na desertie Eritrees leger
Verzoekster, sinds 1996 dienstplichtig militair in het Eritrese leger en lid van de Pinkstergemeente, stelde dat zij vanwege haar geloof geen vervangende dienstplicht mocht vervullen. Zij kreeg bescherming van haar leider B, die later werd gearresteerd. Na openlijke kritiek op de legerleiding deserteerde zij en vluchtte naar Sudan.
Verweerder wees haar aanvraag voor een verblijfsvergunning af, stellende dat zij onvoldoende bewijs had geleverd en dat desertie niet gebaseerd was op ernstige gewetensbezwaren. Ook vond verweerder dat verzoekster niet aannemelijk had gemaakt dat zij in negatieve aandacht stond van autoriteiten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder onvoldoende had meegewogen dat verzoekster een combinatie van factoren had: discriminatie vanwege geloof, kritiek op legerleiding, desertie en het ontbreken van bescherming na arrestatie van haar meerdere. Het ambtsbericht vermeldde dat deserteurs zonder proces worden bestraft en een verhoogd risico lopen op negatieve bejegening.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard en de beschikking vernietigd. Verzoekster krijgt een nieuwe beslissing toegezegd, waarbij rekening moet worden gehouden met het reële risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de afwijzende beschikking vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent het reële risico op onmenselijke behandeling.