ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7767
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens onvoldoende voortvarendheid en schending zorgvuldigheidsbeginsel door Minister
Eiser, een Congolese burger, is op 31 juli 2002 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. In eerdere procedures werd het beroep tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaard. Bij kennisgeving in januari 2003 stelde de Minister de rechtbank op de hoogte van het voortduren van de bewaring, waardoor eiser geacht werd beroep te hebben ingesteld tegen dit besluit.
Tijdens de zitting gaf de Minister toe dat door interne miscommunicatie onjuiste informatie was verstrekt over de activiteiten ter uitzetting van eiser. Zo bleek dat eiser pas op 21 januari 2003 was gepresenteerd bij de autoriteiten van Congo Brazzaville, ruim vijfeneenhalve maand na de inbewaringstelling, terwijl eerder was gesteld dat dit op 2 oktober 2002 zou zijn gebeurd. Verder bleek dat sinds september 2002 geen enkele activiteit ter uitzetting was ondernomen.
De rechtbank oordeelde dat de Minister onvoldoende voortvarend had gehandeld en de vereiste zorgvuldigheid had geschonden door onjuiste en onvolledige informatie te verstrekken. Dit had de belangen van eiser geschaad, aangezien de rechtbank mogelijk anders had geoordeeld bij correcte informatie. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de bewaring opgeheven met ingang van 24 januari 2003 en de Minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de bewaring van eiser wordt opgeheven met ingang van 24 januari 2003.