ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5324
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende bescherming tegen eerwraak
De Afghaanse verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de Immigratie- en Naturalisatiedienst is afgewezen. De rechtbank toetst het besluit en oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is, met name omdat de vreze voor vervolging door derden (de familie van zijn geliefde) niet adequaat is meegenomen. De rechtbank stelt vast dat de bescherming door autoriteiten niet aan de orde is, maar dat dit niet betekent dat de vreze onterecht is.
De rechtbank overweegt dat de verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat de verzoeker bescherming had kunnen inroepen van de in Kabul gevestigde ISAF-troepen, omdat het ambtsbericht van 19 augustus 2002 geen aanwijzingen geeft dat deze bescherming duurzaam of effectief was. Verzoeker kan daarom niet worden verweten dat hij geen poging heeft gedaan tot het inroepen van deze bescherming.
Verder wordt het beleid van categoriale bescherming voor Afghaanse asielzoekers, dat door verweerder is beëindigd, door de rechtbank niet verworpen. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat terugkeer naar Afghanistan niet van bijzondere hardheid is, gelet op het ambtsbericht en de politieke context.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 en vernietigt het bestreden besluit. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd voor zover het betrekking heeft op artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.