ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5314
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid en ingangsdatum verblijfsvergunning regulier bij partner
Eiseres, van Joegoslavische nationaliteit, diende in 1998 een aanvraag in om toelating als vluchteling. Na verlening en intrekking van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, verzocht zij om een verblijfsvergunning regulier op grond van het gezinsleven met haar partner. De rechtbank beoordeelde de rechtmatigheid van besluiten van 23 november 2001 en 28 maart 2002.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag voor de verblijfsvergunning regulier niet eerder dan op het moment waarop aan alle voorwaarden werd voldaan, kon worden toegekend. De partner van eiseres had vanaf 26 maart 2001 een arbeidscontract voor onbepaalde tijd, maar eiseres overhandigde pas op 21 juni 2001 een geldig paspoort. Hierdoor werd vastgesteld dat de ingangsdatum van de vergunning niet op 27 maart 2002, maar op 21 juni 2001 moest worden vastgesteld.
Verder werd geoordeeld dat een beroep op artikel 8 EVRM Pro niet kon leiden tot een terugwerkende kracht van de vergunning over de periode tussen intrekking van de voorwaardelijke vergunning en de verlening van de verblijfsvergunning regulier. De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten en bepaalde dat de Staat der Nederlanden deze aan de griffier dient te vergoeden.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning regulier bij partner wordt vastgesteld op 21 juni 2001 en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.