ECLI:NL:RBSGR:2003:AF4572

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
20 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 03/1280
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 85 Vw 2000Art. 96 Vw 2000Art. 6:6 AwbArt. 3.5.4.3b Richtlijnen Bewaringszaken 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel van bewaring wegens onvoldoende voortgangsrapportage verwijdering vreemdeling

De Minister voor Vreemdelingenzaken legde op 6 september 2002 aan eiser, een Nigeriaanse vreemdeling, de maatregel van bewaring op. Op 6 januari 2003 meldde verweerder het voortduren van de bewaring aan de rechtbank, wat werd opgevat als een beroep tegen deze voortzetting. De rechtbank behandelde het beroep op 17 januari 2003, waarbij eiser werd vertegenwoordigd door zijn raadsman.

De rechtbank constateerde dat de voortgangsrapportage (formulier M121) onvoldoende inzicht gaf in de frequentie van rappelleren bij de Nigeriaanse autoriteiten, wat in strijd is met artikel 3.5.4.3b van de Richtlijnen Bewaringszaken 2000. Deze informatie is noodzakelijk om de voortvarendheid en het zicht op uitzetting te beoordelen en om te bepalen of de zaak buiten zitting kan worden afgedaan.

Ondanks eerdere waarschuwingen en inspanningen van verweerder bleef de kwaliteit van de rapportages onvoldoende. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet zonder reden kon volstaan met een summier ingevuld formulier en verbond consequenties aan het onvolledig invullen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring per 17 januari 2003 en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €322.

Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de maatregel van bewaring wegens onvoldoende voortgangsrapportage over verwijdering.

Uitspraak

RECHTBANK TE ’s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Groningen
Vreemdelingenkamer
registratienummer: Awb 03/1280
UITSPRAAK
op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:
A,
geboren op [...] 1980,
van Nigeriaanse nationaliteit,
eiser,
IND dossiernummer: 0209.09.8017
gemachtigde: mr. M.G.T. Omtzigt, advocaat te Groningen.
1. Ontstaan en loop van het geschil
1.1 De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, hierna verweerder, heeft op 6 september 2002 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel duurt tot op heden voort.
1.2 Verweerder heeft op 6 januari 2003 de rechtbank op grond van artikel 96, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het voortduren van de bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep tegen het voortduren van de bewaring.
1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken –daaronder begrepen de inlichtingen met betrekking tot de (voortgang van de voorbereiding van de) verwijdering van eiser- aan de rechtbank en aan eiser toegestuurd. Eiser is in de gelegenheid gesteld om op de inlichtingen te reageren en om aan te geven waarom behandeling van het beroep ter zitting niet achterwege kan blijven.
1.4 Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank van 17 januari 2003. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn raadsman. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen mr. P. van Dam.
2. Rechtsoverwegingen
2.1 Vooropgesteld moet worden dat de rechtbank de maatregel van bewaring reeds eerder heeft getoetst en dat daarbij is komen vast te staan dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de bewaring rechtmatig is. Derhalve staat thans slechts ter beoordeling of het voortduren van de bewaring gerechtvaardigd is.
Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de bewaring te bevelen.
2.3 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
2.4 Ter zitting alsmede bij brief van 12 januari 2003 is door de gemachtigde van eiser betoogd dat uit de voortgangsrapportage (formulier M 121) niet blijkt dat er na de aanvraag van de laissez passer en de presentatie van eiser d.d. 7 november 2002 nog is gerappelleerd door verweerder.
De rechtbank stelt vast dat de thans voorliggende voortgangsrapportage geen inzicht verschaft in de vraag of en zo ja hoe frequent verweerder rappelleert bij de Nigeriaanse autoriteiten. Verweerder handelt aldus in strijd met artikel 3.5.4.3. sub b, van de Richtlijnen Bewaringszaken Vw 2000. Aldaar is bepaald dat verweerder inlichtingen met betrekking tot de (voortgang van de voorbereiding van de) verwijdering van de vreemdeling verstrekt. Aan de hand van deze gegevens kan zowel eiser als de rechtbank zich een beeld vormen omtrent de voortvarendheid en het zicht op uitzetting. Tevens zijn deze gegevens noodzakelijk voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank de zaak buiten zitting af kan doen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zonder aanwijsbare reden niet volstaan met het presenteren van een summier ingevuld formulier M 121.
De rechtbank ziet thans aanleiding consequenties te verbinden aan het onvolledig invullen van de voortgangsrapportage. De rechtbank wijst er voorts op dat verweerder er bij herhaling, zowel in een overlegstructuur tussen de rechtbank, IND en de SRA als in individuele gevallen ter zitting door deze nevenzittingsplaats, is aangesproken over de kwaliteit van de voortgangsrapportages.
Ter zitting heeft verweerder aangegeven zich bewust te zijn van de lacunes en in voorkomende gevallen de desbetreffende vreemdelingendiensten zowel in individuele gevallen als op voorlichtingsbijeenkomsten aan te spreken op de gebrekkige invulling van voornoemd formulier. Vastgesteld moet worden dat, niettegenstaande inspanningen van verweerder, onvoldoende progressie wordt geboekt bij het op adequate wijze invullen van de M 121.
Het beroep is derhalve gegrond en de opheffing van de maatregel van bewaring moet worden bevolen.
Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat thans aanleiding. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten moet worden bepaald op € 322,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting).
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring per 17 januari 2003;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. M.M. Beije en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C.F.E. Lampe als griffier op 20 januari 2003.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage) onder vermelding van ‘Hoger beroep vreemdelingenzaken’. Ingevolge artikel 85 Vw Pro 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Afschrift verzonden: 24 januari 2003