ECLI:NL:RBSGR:2002:AO5311

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
24 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
192509/02-2181
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:264 BWWet geneeskundige behandelingsovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming medische behandeling minderjarige bij ernstig levensgevaar

De rechtbank 's-Gravenhage behandelde een verzoek van de gezinsvoogdij-instelling om vervangende toestemming te verlenen voor een noodzakelijke medische behandeling van een minderjarige van 12 jaar die ernstig ziek is en zich in een levensbedreigende situatie bevindt.

De minderjarige weigert zelf toestemming te geven voor de behandeling, en de ouders weigeren eveneens toestemming op basis van hun godsdienstige overtuiging. De rechtbank oordeelt dat de minderjarige op dit moment niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, mede gezien zijn leeftijd en de ernst van zijn ziekte.

Gelet op artikel 1:264 BW Pro zijn er gegronde redenen om vervangende toestemming te verlenen. Tevens wordt overwogen dat een minderjarige van twaalf jaar volgens de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst nog niet bevoegd is om zelfstandig een behandelingsovereenkomst aan te gaan. Het verhoor van de minderjarige kan niet worden afgewacht zonder ernstig gevaar voor zijn gezondheid.

De kinderrechter verleent daarom op 24 december 2002 vervangende toestemming voor de medische behandeling en stelt een zitting in op 31 december 2002 om alle betrokkenen te horen.

Uitkomst: Vervangende toestemming verleend voor noodzakelijke medische behandeling van ernstig zieke minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
Sector Familie- en Jeugdrecht Kinderrechter
VERVANGENDE TOESTEMMING MEDISCHE BEHANDELING
zaak/rekestnummer : 192509/02-2181 datum uitspraak: 24 december 2002
BESCHIKKING van de kinderrechter in de RECHTBANK te 's-Gravenhage, gegeven in de zaak met betrekking tot de onder toezicht staande minderjarige:
[minderjarige],
geboren te Curacao, Nederlandse Antillen op 20 maart 1990,
kind uit het huwelijk van:
[de vader] (verder de vader),
en
[de moeder] (verder de moeder),
beiden wonende [adres], die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.
De minderjarige woont wettelijk ten huize van de vader en de moeder, doch verblijft feitelijk elders.
PROCESGANG
Op 24 december 2002 heeft de gezinsvoogdij-instelling een verzoekschrift met bijlagen ingediend daartoe strekkende dat de kinderrechter vervangende toestemming verleent voor een medische behandeling.
OVERWEGINGEN
De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 december 2002 de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van 24 december 2002 tot 1 januari 2003.
De gezinsvoogdij-instelling heeft de kinderrechter op grond van artikel 1:264 BW Pro verzocht vervangende toestemming te geven voor een medische behandeling.
Op grond van de informatie, zoals gebleken uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde bijlagen komt de kinderrechter tot het oordeel dat het dringend noodzakelijk is dat de minderjarige de medische behandeling ondergaat.
Met betrekking tot de omstandigheid dat de minderjarige geen toestemming voor een noodzakelijke medische behandeling wil geven overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de vaststaande feiten dat de minderjarige sinds kort 12 jaar is en dat hij ernstig ziek is, zo ziek dat er sprake is van ernstig levensgevaar, is de rechtbank van oordeel dat hij op dit moment niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. Dit is nog meer aan de orde nu de ouders van de minderjarige op basis van hun godsdienstige overtuiging geen toestemming tot die medische behandeling willen geven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat overeenkomstig het bepaalde in art. 1:264 BW Pro er gegronde redenen zijn vervangende toestemming voor het verrichten van die noodzakelijke medische behandeling te verlenen. Hierbij dient ook in ogenschouw te worden genomen dat een minderjarige van twaalf jaar ook volgens de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst nog niet in staat is om een behandelingsovereenkomst aan de gaan. Het ligt derhalve niet voor de hand om alleen tot het verrichten van een behandeling ter voorkoming van ernstig nadeel over te gaan als daarvoor door die minderjarige toestemming is verleend.
Het verhoor van de belanghebbende kan niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
De kinderrechter stelt de verzoekster en de belanghebbenden in staat terzake te worden gehoord ter terechtzitting van 31 december 2002 om 9:30 uur.
BESLISSING
De kinderrechter:
verleent vervangende toestemming tot het verrichten van een medische behandeling van voormelde minderjarige;
houdt de behandeling van het verzoekschrift aan tot: 31 december 2002, om 9:30 uur;
beveelt de griffier tegen voormelde zitting op te roepen: de gezinsvoogdij-instelling,
de vader,
de moeder,
de minderjarige.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Vink, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2002, in tegenwoordigheid van L.W. Evers als griffier.