ECLI:NL:RBSGR:2002:AF6771
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering opheffing ongewenstverklaring en vergunning medische behandeling niet strijdig met artikel 3 EVRM
Eiser, een Colombiaanse vreemdeling die ongewenst is verklaard en veroordeeld voor drugshandel, verzocht om opheffing van deze verklaring en om een vergunning tot verblijf voor medische behandeling vanwege zijn HIV-infectie. De minister wees deze verzoeken af, waarna eiser beroep instelde.
De rechtbank toetste de weigering aan artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat onmenselijke behandeling verbiedt. Uit jurisprudentie blijkt dat alleen in uitzonderlijke gevallen, waarbij sprake is van een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte zonder adequate medische voorzieningen in het land van herkomst, schending van artikel 3 kan Pro worden aangenomen. De rechtbank concludeerde dat eiser niet in een dergelijk stadium verkeert en dat hij in Colombia op morele steun van familie kan terugvallen.
Daarnaast maakte de rechtbank een belangenafweging tussen het belang van eiser en het Nederlandse belang bij een restrictief vreemdelingenbeleid en bescherming van de openbare orde. Gezien het ontbreken van legale verblijfstitel en de recidive in drugshandel, en het feit dat de beperkte medische voorzieningen in Colombia minder zwaar wegen dan het Nederlandse belang, werd het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring terecht afgewezen.
Het beroep tegen de weigering van de vergunning tot verblijf voor medische behandeling werd eveneens ongegrond verklaard, mede omdat artikel 21 lid 3 van Pro de Vreemdelingenwet dit verbiedt voor ongewenstverklaarde vreemdelingen. De rechtbank wees het beroep af zonder kostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering om de ongewenstverklaring op te heffen en een vergunning tot verblijf voor medische behandeling te verlenen is ongegrond verklaard.