ECLI:NL:RBSGR:2002:AF5714

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
12 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/64672
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 AwbArt. 73 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening bij ambtshalve weigering verblijfsvergunning alleenstaande minderjarige vreemdeling

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve weigering van de verlening van een verblijfsvergunning regulier als alleenstaande minderjarige vreemdeling en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om de behandeling van het bezwaar en beroep in Nederland af te wachten.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 73, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de werking van het besluit tot afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning wordt opgeschort zolang op het bezwaar wordt beslist, behoudens enkele limitatief genoemde uitzonderingen die niet van toepassing zijn op ambtshalve weigering.

Daarom is de vertrekverplichting van verzoeker van rechtswege opgeschort, waardoor verzoeker geen belang heeft bij het verzoek om voorlopige voorziening. Tevens wordt vastgesteld dat verzoeker onjuist is geïnformeerd over zijn rechten in de rechtsmiddelenclausule van het bestreden besluit.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten die verzoeker redelijkerwijs heeft moeten maken voor de behandeling van het verzoek, vastgesteld op € 644,-. Het verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet ontvankelijk verklaard omdat de vertrekverplichting van rechtswege is opgeschort.

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
Vreemdelingenkamer, enkelvoudig
zitting houdende te Dordrecht
Reg.nr : AWB 02/64672
Uitspraak in de zaak van
A, verzoeker,
gemachtigde mr. J.V. Gillese, advocaat te 's Hertogenbosch,
tegen
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Justitie te 's Gravenhage, verweerder.
Gemachtigde mr. W.B. Klaus, ambtenaar ten departmente.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verzoeker heeft bij faxbericht van 22 augustus 2002 beroep (geregistreerd onder nummer AWB 02/64676) ingesteld tegen verweerders besluit van 21 augustus 2002, waarbij afwijzend is beslist op zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Tevens heeft verzoeker op 22 augustus 2002 een bezwaarschrift ingediend tegen de ambtshalve weigering van verweerder om verzoeker een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen.
Bij dit besluit heeft verweerder verzoeker aangezegd Nederland onmiddellijk te verlaten.
2. Bij faxbericht van 22 augustus 2002 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt dat verzoeker de behandeling van het beroep en de behandeling van het bezwaar in Nederland mag afwachten.
3. De zaak is op 5 september 2002 ter zitting behandeld.
Verzoeker is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. J.V. Gillese, advocaat te 's Hertogenbosch.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. W.B. Klaus.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:86 Awb Pro kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek is gedaan indien beroep is ingesteld bij de rechtbank en hij van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
2. Nu verweerder in het bestreden besluit tevens ambtshalve heeft besloten verzoeker geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen en verzoeker daartegen bezwaar heeft aangetekend, ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of verzoeker een belang heeft bij het onderhavige verzoek om een voorziening. Ingevolge het bepaalde in artikel 73, eerste lid, Vw 2000 wordt, indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de werking van het besluit tot afwijzing van een reguliere aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning opgeschort totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist, behoudens de uitzonderingen genoemd in het tweede, derde en vierde lid van dit artikel. Gelet op de bewoordingen van laatstgenoemde artikelleden en de Memorie van Toelichting bij het voorstel van wet (Handelingen Tweede Kamer 26732, nr. 3, p. 108) moet het ervoor worden gehouden dat de wetgever deze uitzonderingen limitatief heeft bedoeld. Een ambtshalve weigering ontbreekt in deze limitatieve opsomming.
De voorzieningenrechter vermag niet in te zien dat de wetgever een dergelijk besluit heeft willen uitsluiten, nu intrekking van een besluit, genoemd in dit artikellid, eveneens ambtshalve geschiedt.
3. Gelet op het vorenstaande is de verplichting van verzoeker Nederland te verlaten, voor zover deze is gerelateerd aan verweerders ambtshalve besluit tot niet-verlening van een verblijfsvergunning regulier, van rechtswege opgeschort.
Verzoeker heeft derhalve thans geen belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.
4. Het verzoek wordt derhalve niet ontvankelijk verklaard.
5. Gelet op het vorenstaande is verzoeker in de rechtsmiddelenclausule van het bestreden besluit onjuist geïnformeerd. Daarin is vermeld dat verzoeker ook de afhandeling van het bezwaarschrift inzake de ambtshalve niet-verlening van een verblijfsvergunning regulier niet in Nederland mag afwachten en dat verzoeker zich tot de voorzieningenrechter kan wenden met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met de strekking dat verzoeker de beslissing op bezwaar in Nederland mag afwachten. Nu verzoeker zich op grond daarvan genoodzaakt heeft gezien een dergelijk verzoek bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank in te dienen ter voorkoming van de uitzetting, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van dit verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.
De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoeker nog ander kosten heeft moeten maken. Omdat verzoeker ter zake van dit geschil een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.
6. Gezien het voorgaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter:
1. verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet ontvankelijk.
2. veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
3. wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan de griffier van de rechtbank moet vergoeden.
Aldus gegeven door mr. R.P. Broeders, rechter, en door deze en drs. C.H.M. Pastoors, griffier, ondertekend.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op: 12 september 2002
afschrift verzonden op: 12 september 2002
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.