ECLI:NL:RBSGR:2002:AF4509
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verblijfsvergunning en beëindiging uitstel van vertrek asielzoeker uit Angola
Verzoeker, een Angolese asielzoeker, vroeg in 1999 toelating als vluchteling in Nederland. Verweerder, de Immigratie- en Naturalisatiedienst, wees zijn aanvraag in 2000 af en verleende aanvankelijk uitstel van vertrek. Dit uitstel werd in 2001 beëindigd vanwege een gewijzigd beleid voor asielzoekers uit Angola.
Verzoeker maakte bezwaar tegen de afwijzing en het beëindigen van het uitstel van vertrek en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting uit te stellen. De voorzieningenrechter toetste de feiten vol en niet terughoudend, zoals voorgeschreven in artikel 33b van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker zich niet onverwijld had gemeld bij aankomst en onvoldoende bewijs had geleverd ter ondersteuning van zijn asielaanvraag. Documenten die verzoeker overlegde, waaronder een arrestatiebevel, ondermijnden zijn geloofwaardigheid. De rechtbank bevestigde dat verzoeker geen aanspraak kon maken op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Daarnaast werd geoordeeld dat het beëindigen van het uitstel van vertrek voor asielzoekers uit Angola niet onredelijk was, gelet op de algemene situatie in Angola en de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bezwaar van verzoeker werd ongegrond verklaard en het verzoek om uitstel van uitzetting afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om uitstel van vertrek en het bezwaar tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning werden afgewezen.