ECLI:NL:RBSGR:2002:AF3736
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag ondanks ambtshalve verleende verblijfsvergunning alleenstaande minderjarige vreemdeling
Eiser, een minderjarige vreemdeling uit Mauritanië, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, die door verweerder werd afgewezen. Wel werd aan eiser een reguliere verblijfsvergunning verleend onder de beperking verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling. De kern van het geschil betrof de vraag of artikel 30, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) toegepast moest worden om de asielaanvraag imperatief af te wijzen omdat eiser reeds rechtmatig verblijf had.
De rechtbank oordeelde dat artikel 30 Vw Pro niet van toepassing is indien een verblijfsvergunning ambtshalve is verleend, omdat de vreemdeling dit niet zelf in de hand heeft gehad. Het zou onredelijk zijn om dan de asielaanvraag zonder inhoudelijke beoordeling af te wijzen. Dit oordeel werd ondersteund door een wetsvoorstel van oktober 2002 dat dit standpunt bevestigt.
Inhoudelijk werd vastgesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging had, zoals vereist voor een verblijfsvergunning asiel. Zijn relaas over slavernij en mishandeling in Mauritanië werd niet geloofwaardig geacht, mede door het ontbreken van documenten en het feit dat fysieke slavernij formeel was afgeschaft. Ook waren er geen concrete aanwijzingen voor een reëel gevaar bij terugkeer.
Eiser voerde aan dat slavernij nog voorkomt en dat hij als minderjarige niet wist van beschermende instanties, maar dit overtuigde de rechtbank niet. Ook het beroep op klemmende humanitaire redenen werd afgewezen omdat de situatie bij de voogd niet voldoende was voor verblijfsrecht op die grond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.