ECLI:NL:RBSGR:2002:AF3650
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van vreemdelingenwet en artikel 3 EVRM
Eiseres, een vrouw uit Sri Lanka geboren in 1925, verzocht om een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar dochter in Nederland en medische behandeling. Zij stelde dat zij vanwege haar psychische en fysieke toestand, haar leeftijd en de situatie in Sri Lanka niet kon worden uitgezet zonder schending van artikel 3 EVRM Pro. Haar asielrelaas omvatte bedreigingen en mishandelingen door militairen vanwege haar kinderen die zich bij de LTTE hadden aangesloten.
De rechtbank overwoog dat het ontbreken van reis- en identiteitsdocumenten niet volledig aan eiseres kon worden toegerekend, maar dat het ontbreken van een geboorteakte wel. De omstandigheden van bedreiging waren onvoldoende zwaarwegend voor vluchtelingenstatus, mede omdat de negatieve aandacht van de autoriteiten niet specifiek en stelselmatig op haar gericht was en zij de laatste anderhalf jaar voor vertrek geen problemen had ondervonden.
Eiseres voerde verder aan dat terugkeer een reëel risico op onmenselijke behandeling inhoudt, maar de rechtbank oordeelde dat zij dit risico niet aannemelijk had gemaakt. Het BMA-rapport over haar medische toestand werd niet inhoudelijk beoordeeld in deze procedure. De rechtbank concludeerde dat geen reden bestond om de verblijfsvergunning toe te kennen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep op een verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van risico op schending artikel 3 EVRM.