ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2817
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzettingsvoorbereiding
Eiser, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, werd na een maand strafrechtelijke detentie op 25 oktober 2002 in vreemdelingenrechtelijke bewaring gesteld. De rechtbank oordeelt dat verweerder, de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, tijdens de strafrechtelijke detentie geen enkele voorbereidingshandeling voor uitzetting heeft verricht, ondanks dat de einddatum van de detentie bekend was.
De rechtbank stelt vast dat verweerder een inspanningsverplichting heeft om te voorkomen dat vreemdelingen na strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring worden gesteld. Deze verplichting houdt in dat er in ieder geval enige inspanning moet zijn verricht. Nu verweerder geen voorbereidingshandelingen heeft verricht, is niet voldaan aan deze verplichting.
Hoewel verweerder stelt dat de aanvraag voor een laissez-passer is verzonden en een vooronderzoek met de Algerijnse autoriteiten moet plaatsvinden, acht de rechtbank dit onvoldoende en concludeert dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig is wegens onvoldoende voortvarendheid.
De rechtbank beveelt de opheffing van de bewaring per 1 november 2002 en veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding van €665,- voor de onrechtmatige vrijheidsontneming, alsmede de proceskosten van €644,- ten behoeve van eiser.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, heft de bewaring op en kent schadevergoeding toe wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzettingsvoorbereiding.