ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2813

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
4 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/73590
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • O.A.P. van der Roest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 sub c Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 96 lid 3 en 4 Vreemdelingenwet 2000Algemene wet bestuursrecht artikel 8:77
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring minderjarige vreemdeling in strijd met Verdrag inzake de rechten van het kind

Eiseres, een minderjarige vrouw van Sierra Leoonse nationaliteit, werd in bewaring gesteld in een Nederlands Huis van Bewaring waar zij niet gescheiden was van volwassen gedetineerden. De gemachtigde van eiseres stelde dat deze situatie in strijd was met artikel 37 sub c van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind, dat bepaalt dat kinderen die van hun vrijheid zijn beroofd gescheiden moeten worden gehouden van volwassenen tenzij het in het belang van het kind is dit niet te doen.

Verweerder erkende dat gescheiden plaatsing niet mogelijk was in Nederlandse huizen van bewaring voor vrouwelijke minderjarigen van 16 en 17 jaar. De rechtbank oordeelde dat de tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd was met het Verdrag omdat eiseres niet gescheiden was geplaatst en niet was gesteld of gebleken dat dit in haar belang was.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval de opheffing van de bewaring omdat een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging niet mogelijk was. Tevens werd aan eiseres een schadevergoeding van € 2.170 toegekend voor de periode van 31 dagen dat zij niet gescheiden van volwassenen verbleef, en werden proceskosten aan haar toegekend.

De uitspraak benadrukt het belang van naleving van internationale kinderrechten in detentie en de beperkingen in de Nederlandse detentiepraktijk voor minderjarige vreemdelingen.

Uitkomst: Bewaring van minderjarige vreemdeling niet gescheiden van volwassenen is onrechtmatig; bewaring wordt opgeheven en schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
Nevenzittingsplaats Arnhem
Vreemdelingenkamer
Registratienummer: 02/73590
Datum uitspraak: 4 oktober 2002
Uitspraak
ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 96, derde lid, en artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de zaak van de vreemdeling, genaamd althans zich noemende,
[eiseres] ,
geboren op [datum] 1985,
van Sierra Leoonse nationaliteit,
CRV-nummer [nummer] ,
alias [naam] , geboren op [datum] 1975 te Abidjan, alias [naam] , geboren op [datum] 1977,
eiseres,
gemachtigde: mr. G. van Buuren,
tegen
DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE
Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verweerder,
gemachtigde: drs. H.W. Pieters, ambtenaar bij de IND.
De beoordeling
1. Eiseres wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot voortduring van de met ingang van 13 augustus 2002 aan haar opgelegde bewaring, omdat verweerder bij brief van 25 september 2002 aan de rechtbank kennis heeft gegeven van het voortduren daarvan sinds de uitspraak van 29 augustus 2002. Openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 3 oktober 2002. Partijen zijn verschenen bij gemachtigde.
2. Aangezien de rechtmatigheid van de bewaring reeds eerder in rechte is getoetst, dient thans getoetst te worden of verdere toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.
3. Namens eiseres is onder meer aangevoerd dat de bewaring onrechtmatig is omdat zij in het Huis van Bewaring te Scheveningen ten onrechte niet gescheiden van volwassenen is geplaatst.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiseres jonger dan 18 jaar is en ouder dan 16 en dus niet valt onder het bepaalde in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), paragraaf A5/1.5, waarin een bepaald regime voor jeugdige personen jonger dan 16 jaar is opgenomen. Wel is er sprake van strijd met het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het Verdrag), in het bijzonder artikel 37, sub c.
Verweerder betwist niet dat eiseres in het Huis van Bewaring niet gescheiden is van volwassenen, maar stelt zich op het standpunt dat in Nederlandse Huizen van Bewaring het feitelijk niet mogelijk is om minderjarige vrouwelijke inbewaringgestelden gescheiden van volwassenen onder te brengen.
In artikel 37, sub c, van het Verdrag is - voor zover van belang - vermeld: "De Staten die partij zijn, waarborgen dat: ieder kind (volgens artikel 1 van Pro het Verdrag wordt onder een kind verstaan, ieder mens jonger dan 18 jaar; rechtbank) dat van zijn of haar vrijheid is beroofd, wordt behandeld met menselijkheid en met eerbied voor de waardigheid inherent aan de menselijke persoon, en zodanig dat rekening wordt gehouden met de behoeften van een persoon van zijn of haar leeftijd. Met name wordt ieder kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd, gescheiden van volwassenen tenzij het in het belang van het kind wordt geacht dit niet te doen (...)".
Nu eiseres in het Huis van Bewaring niet gescheiden is van volwassenen en niet is gesteld of gebleken dat dit in haar belang is geweest, is de rechtbank van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd is met genoemde verdragsbepaling. Het beroep is derhalve gegrond. Hetgeen eiseres meer of anders heeft aangevoerd behoeft geen bespreking.
Aangezien de gemachtigde van verweerder desgevraagd uitdrukkelijk ter zitting heeft aangegeven dat 16 en 17 jarige vrouwen feitelijk niet gescheiden van volwassenen in bewaring gesteld kunnen worden, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om met toepassing van artikel 96, vierde lid, van de Vw 2000, een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring te bevelen. De opheffing van de bewaring dient dan ook te worden bevolen.
5. Namens eiseres wordt verzocht om vanaf 3 september 2002 schadevergoeding toe te kennen. Eiseres heeft vanaf 3 september 2002 niet gescheiden van volwassenen in het Huis van Bewaring te Scheveningen verbleven, zodat schadevergoeding vanaf die datum dient te worden toegewezen.
6. Alle omstandigheden, waaronder de levensomstandigheden van eiseres, in aanmerking genomen, zijn gronden van billijkheid aanwezig om haar ten laste van de Staat een schadevergoeding toe te kennen van € 70,- per dag voor de eenendertig dagen die zij heeft doorgebracht in het huis van bewaring. Derhalve zal een schadevergoeding van € 2.170,00 worden toegekend. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten gunste van eiseres, te betalen aan de griffier, aangezien aan haar een raadsman is toegevoegd.
De beslissing
De rechtbank:
* verklaart het beroep gegrond;
* beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden;
* kent aan eiseres ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van € 2.170,00;
* veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 322,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.A.P. van der Roest en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2002 in tegenwoordigheid van J.A.M. Rijntjes-van Zuilen als griffier.
de griffier de rechter
w.g. J.A.M. Rijntjes-van Zuilen w.g.O.A.P. van der Roest
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,
nevenzittingsplaats Arnhem,
Verzonden: 15 oktober 2002
De voorzitter van de rechtbank beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 2.170,00.