ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2805
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning asiel wegens gegronde vrees voor vervolging in Irak
Eiser, een Iraakse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel na te zijn gevlucht vanwege vervolging in Irak. Hij werd in de jaren negentig gedetineerd en gemarteld vanwege vermeende betrokkenheid bij een opstand. Na een moord op een directeur van de veiligheidsdienst in Karbala werd hij opnieuw gearresteerd, maar wist te ontsnappen.
De vreemdelingenautoriteit wees de aanvraag af omdat eiser geen identiteits- en reisdocumenten kon overleggen en onvoldoende geloofwaardig was. De rechtbank oordeelde echter dat het ontbreken van documenten aan eiser toe te rekenen is, maar dat het asielrelaas inhoudelijk beoordeeld moest worden. De rechtbank nam het relaas van eiser als consistent en aannemelijk, mede omdat de Iraakse autoriteiten niet de gewoonte hebben arrestatiebevelen te overhandigen.
De rechtbank verwierp de kwalificatie van de moord als een commuun delict en achtte de link tussen de eerdere detentie en latere arrestatie waarschijnlijk. Ook vond de rechtbank dat de arrestatie niet willekeurig was. Gezien de situatie in Irak en het ambtsbericht concludeerde de rechtbank dat eiser gegronde vrees heeft voor vervolging en dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning en veroordeelde de staat tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd.