ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2392
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toegangsweigering Nigeriaanse vreemdeling en voortzetting vrijheidsontneming
Een Nigeriaanse vreemdeling werd op 10 augustus 2002 op Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd en direct vrijheidsontnemend vastgehouden op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling wilde aangifte doen van vrouwenhandel en stelde dat zij daardoor rechtmatig verblijf had volgens artikel 8 Vw Pro 2000, en dat de vrijheidsontneming daarom niet voortgezet mocht worden.
De rechtbank oordeelde dat rechtmatig verblijf pas kan ontstaan indien toegang tot Nederland is verleend, wat hier niet het geval was. De feitelijke toegang impliceert geen rechtmatig verblijf, ook niet als de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen. De toegangsweigering was rechtmatig en de vrijheidsontneming mocht daarom voortduren.
De rechtbank nam ook het subsidiaire standpunt van de vreemdeling in overweging dat het zicht op uitzetting was vervallen, maar vond dat de vertraging in het doen van aangifte niet zodanig was dat de vrijheidsontneming ongerechtvaardigd werd. Klachten over het niet tijdig beslissen op de aanvraag verblijfsvergunning en de beklagprocedure tegen het niet vervolgen van mensenhandel waren niet voldoende om de maatregel te beëindigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming en toegangsweigering.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond verklaard en de toegangsweigering is rechtmatig gehandhaafd.