ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2378
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.J. van Bennekom
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering machtiging voorlopig verblijf wegens gezinshereniging meerderjarige zoon
De zaak betreft een beroep tegen de weigering van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor een meerderjarige zoon uit Brazilië, die bij zijn moeder in Nederland wil verblijven. Verweerder stelde dat geen sprake was van onevenredige hardheid bij achterlating en dat er geen sprake was van ‘family life’ of bijzondere afhankelijkheid tussen moeder en zoon.
De rechtbank oordeelt dat er wel degelijk sprake is van family life tussen de moeder en de meerderjarige zoon, conform jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Verweerder had geen bijzondere omstandigheden gesteld die deze band zouden verbreken. Echter, de rechtbank vindt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro leidt tot de conclusie dat de zoon onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van meer dan normale emotionele banden en dat toelating niet noodzakelijk is.
Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht wordt vergoed. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de mvv wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.