ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1840
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling Nederlandse nationaliteit door meegenaturaliseerde minderjarige bij moeder
Verzoekster heeft aan de rechtbank gevraagd vast te stellen dat zij sinds 22 juni 1995 de Nederlandse nationaliteit bezit, omdat zij toen met haar moeder is meegenaturaliseerd. De Staat betwistte dit en stelde dat verzoekster op die datum niet over een verblijfsvergunning beschikte en daarom niet meegenaturaliseerd kon zijn.
De rechtbank stelde vast dat verzoekster sinds 27 juli 1994 rechtmatig bij haar moeder op Curaçao verbleef en dat haar verblijfsaanvraag kort na aankomst was ingediend. Hoewel de verblijfsvergunning pas op 28 maart 1996 werd verleend, oordeelde de rechtbank dat het verblijf op 22 juni 1995 als verblijf voor onbepaalde tijd moest worden beschouwd, gelet op het doel van het verblijf en de situatie van haar moeder.
De rechtbank verwierp het standpunt van de Staat dat alleen het bezit van een verblijfsvergunning op de naturalisatiedatum beslissend is. Op grond van een redelijke uitleg van het Koninklijk Besluit van 22 juni 1995 concludeerde de rechtbank dat verzoekster op die datum verblijf voor onbepaalde tijd was toegestaan en daarom met haar moeder is meegenaturaliseerd.
De rechtbank stelde vast dat verzoekster sinds 22 juni 1995 de Nederlandse nationaliteit bezit en veroordeelde de Staat in de proceskosten.
Uitkomst: Verzoekster is sinds 22 juni 1995 de Nederlandse nationaliteit bezit doordat zij met haar moeder is meegenaturaliseerd.