ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1629

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
17 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/31715 OVERIN
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 81 Vw 2000Art. 14 Vw 2000Art. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet voldoen griffierecht bij reguliere verblijfsaanvraag

Eiser, van Iraakse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning die door verweerder werd afgewezen. Tegen dit besluit stelde eiser beroep in bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat de aanvraag een reguliere aanvraag betrof en niet als een asielaanvraag kon worden opgevat, zodat de vrijstelling van griffierecht voor asielzaken niet van toepassing was.

De gemachtigde van eiser had het griffierecht niet voldaan ondanks herhaalde verzoeken van de rechtbank. Er was geen sprake van omstandigheden die het verzuim konden rechtvaardigen. De rechtbank stelde vast dat het beroep daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard.

De openbare behandeling vond plaats op 18 januari 2002, waarna de rechtbank het onderzoek heropende vanwege het griffierecht. Bij de zitting op 8 mei 2002 verscheen eiser noch zijn gemachtigde. De rechtbank bevestigde het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen van het griffierecht bij een reguliere verblijfsaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
zittinghoudende te Utrecht
Reg.nr.: AWB 01/31715 OVERIN
UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken, inzake het beroep van:
A, geboren op [...] 2000, van Iraakse nationaliteit, eiser,
gemachtigde: mr. R.I.R. Denz, advocaat te Utrecht,
tegen een besluit van
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. L. Verheijen, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.
1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Bij beslissing van 29 juni 2001 heeft verweerder de ten behoeve van eiser ingediende aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot verblijf niet ingewilligd. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift primair tot niet-ontvankelijkheid en secundair tot ongegrondverklaring van het beroep geconcludeerd.
De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 18 januari 2002. Ter zitting hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.
Bij brief van 25 januari 2002 heeft de rechtbank het onderzoek heropend in verband met de vraag of het verschuldigde griffierecht was voldaan en/of de gemachtigde van eiser beschikt over een rekening-courant bij de rechtbank.
Vervolgens zijn de gemachtigden van eiser en verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op de resultaten van het onderzoek. Van deze gelegenheid hebben zij gebruik gemaakt.
De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank verzocht de zaak niet zonder nadere zitting af te doen.
De rechtbank heeft vervolgens zitting bepaald op 8 mei 2002. Ter zitting heeft verweerder bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader uiteengezet. Eiser noch zijn gemachtigde zijn verschenen.
2. OVERWEGINGEN
Verweerder heeft onder het ten deze bestreden besluit aangegeven dat de mogelijkheid bestaat daartegen bezwaar te maken.
De gemachtigde van eiser heeft vervolgens een rechtsmiddel ingediend bij de rechtbank dat naar bewoording en strekking ervan uitdrukkelijk moet worden aangemerkt als een beroepschrift.
Zoals door de gemachtigde van eiser ter zitting is onderkend moet de onderliggende aanvraag naar aard en strekking worden gezien als een reguliere aanvraag. Verweerder heeft de aanvraag terecht aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 14 Vw Pro.
Eisers stelling dat op grond van reflexwerking de aanvraag ook ambtshalve had moeten worden opgevat als een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel treft geen doel omdat daarvoor noch in bewoordingen van de aanvraag noch in de terzake relevante wettelijke bepalingen een aanknopingspunt kan worden gevonden.
Gelet hierop is de vrijstelling van het griffierecht voor asielzaken als bedoeld in artikel 81 Vw Pro niet aan de orde.
Een met artikel 81 Vw Pro vergelijkbare bepaling ten aanzien van reguliere zaken ontbreekt. Derhalve is eiser ingevolge artikel 8:41 Awb Pro griffierecht verschuldigd.
De rechtbank constateert dat de gemachtigde van eiser het griffierecht niet heeft voldaan ondanks het feit dat hij hiertoe bij brief van 16 augustus 2001 in de gelegenheid is gesteld. Eiser is er daarbij tevens op gewezen dat indien het griffierecht niet binnen vier weken na dagtekening van genoemde brief op de rekening van de rechtbank zou zijn bijgeschreven of ter griffie zou zijn gestort het beroep in beginsel niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Niet gebleken is van een omstandigheid dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de gemachtigde van eiser in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 8:41, tweede lid, tweede volzin, Awb. In het bijzonder de door de rechtbank niet gedeelde opvatting dat geen griffierecht is verschuldigd, is geen omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat evenmin sprake was van een rekening-courant verhouding.
Gelet op het vorenoverwogene is het beroep niet-ontvankelijk.
3. BESLISSING
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.D. Aardema, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2002, in tegenwoordigheid van mr. G.M.T.M. Sips als griffier.
afschrift verzonden op: 18 juni 2002
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb Pro is niet van toepassing.