ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1489
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- H.F.M. Hofhuis
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen inzake verblijfsvergunningen Zuid-Afrikaanse artsen in kort geding
Eisers, bestaande uit vier stichtingen en twee individuele tandartsen uit Zuid-Afrika, vorderen in kort geding dat de Staat der Nederlanden verblijfsvergunningen en machtigingen tot voorlopig verblijf verleent aan door hen geselecteerde artsen. De artsen zijn werkzaam via maatschapscontracten en hebben BIG-registratie. De Staat heeft aanvragen voor verblijfsvergunningen afgewezen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, met name vanwege het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en de niet-toepassing van de verkorte mvv-procedure.
De voorzieningenrechter onderzoekt de ontvankelijkheid van eisers en stelt vast dat de exclusieve rechtsgang voor vreemdelingenzaken bij de vreemdelingenrechter ligt. Dit betekent dat de individuele artsen ([eiser5] en [eiser6]) niet-ontvankelijk zijn omdat zij niet de juiste rechtsgang hebben gevolgd. De stichtingen kunnen niet als gemachtigden optreden en worden daarom ook niet ontvankelijk verklaard.
De vorderingen van de stichtingen zijn te vaag en algemeen en betreffen vreemdelingenrechtelijke kwesties die niet door de burgerlijke rechter kunnen worden behandeld. De voorzieningenrechter wijst daarom ook deze vorderingen af. Er wordt opgemerkt dat het aangekondigde onderzoek naar de maatschapconstructie door de Staat nog niet is afgerond, maar hierover wordt geen inhoudelijk oordeel gegeven.
Ten slotte worden eisers veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en uitgesproken op 4 december 2002.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart twee eisers niet-ontvankelijk en wijst de vorderingen van de stichtingen af.