ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1346
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting vreemdeling
Eiser werd op 27 juli 2002 in bewaring gesteld met het oog op uitzetting vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf en verdenking van een strafbaar feit. Hoewel eiser in het bezit was van een geldig nationaal paspoort, heeft verweerder pas op 2 augustus 2002 een vlucht aangevraagd, wat leidde tot een onnodige vertraging.
De rechtbank stelt vast dat verweerder geen geldige reden heeft gegeven voor het tijdsverloop tussen de inbewaringstelling en de aanvraag van de vlucht. Het horen van eiser op 31 juli 2002 bood geen nieuwe inzichten, aangezien identiteit en nationaliteit reeds vaststonden.
De bewaring was aanvankelijk rechtmatig, maar is door de vertraging onrechtmatig geworden. De rechtbank beveelt opheffing van de bewaring en wijst het verzoek om schadevergoeding af, omdat de uitzetting niet eerder had kunnen plaatsvinden. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting, schadevergoeding wordt niet toegekend.