ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1326
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie wegens late ongewenstverklaring
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het beroep van een Surinaamse vreemdeling tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring die na afloop van zijn strafrechtelijke detentie werd opgelegd. De bewaring was gebaseerd op een besluit tot ongewenstverklaring dat pas op de dag van zijn invrijheidstelling aan hem werd uitgereikt, terwijl de gronden daarvoor al lang bekend waren en hij eerder was gehoord.
De rechtbank stelde vast dat de Staatssecretaris van Justitie in strijd had gehandeld met het beleid uit de Vreemdelingencirculaire 2000, waarin is bepaald dat procedures omtrent ongewenstverklaring zoveel mogelijk tijdens de strafrechtelijke detentie moeten plaatsvinden. Door de late bekendmaking werd de vreemdeling in een ongunstigere positie gebracht, omdat hij geen tijdig rechtsmiddel kon aanwenden tijdens zijn detentie om zekerheid te verkrijgen over de gegrondheid van de ongewenstverklaring.
De persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, waaronder zijn therapie tijdens detentie en zijn gezinssituatie, werden meegewogen. De rechtbank oordeelde dat het belang van de vreemdeling zwaarder woog dan dat van de overheid om het beleid te negeren. De bewaring werd daarom onrechtmatig verklaard en opgeheven.
Daarnaast werd een schadevergoeding van €332,50 toegekend voor zeven dagen onrechtmatige bewaring, gematigd met 50%. De proceskosten van €644,-- werden eveneens aan de Staat opgelegd. Het beroep werd gegrond verklaard en de maatregel van bewaring opgeheven.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring werd onrechtmatig verklaard, opgeheven en de vreemdeling kreeg een schadevergoeding toegekend.