ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1221
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking voorwaardelijke vergunning tot verblijf Iraakse asielzoeker
Eiser, een Iraakse asielzoeker, had een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) die op 2 juni 1999 werd ingetrokken. Hij stelde beroep in tegen deze intrekking en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om zijn uitzetting te voorkomen. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening.
Verweerder had het vvtv-beleid voor Iraakse asielzoekers per 20 november 1998 beëindigd, wat door de Rechtseenheidskamer werd gesanctioneerd. Echter, bij intrekking van een vvtv moest ambtshalve worden onderzocht of individuele feiten en omstandigheden het redelijkerwijs onmogelijk maken dat de vreemdeling zich in Noord-Irak vestigt. Dit onderzoek had verweerder niet volledig uitgevoerd.
Eiser voerde aan dat hij Chaldeeuws christen is en dat dit hem zou beletten zich in Noord-Irak te vestigen vanwege het ontbreken van een gemeenschap en banden aldaar. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheid onvoldoende is om aan te nemen dat eiser in een humanitaire noodsituatie zou verkeren bij vestiging in Noord-Irak.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er waren geen gronden voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken op 20 september 2002.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.