ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9394
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding
De vreemdeling werd op 27 augustus 2002 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 wegens vermoedelijk onttrekken aan uitzetting en verdenking van een misdrijf. Kort daarvoor was hij door de politierechter vrijgesproken van dat misdrijf. Hoewel de Immigratie- en Naturalisatiedienst stelde dat de verdenking bleef bestaan vanwege een hoger beroep, oordeelde de rechtbank dat op het moment van inbewaringstelling geen verdenking bestond.
De enige overgebleven grond voor bewaring was het niet aanmelden bij de korpschef, maar deze grond was onvoldoende gemotiveerd om het vermoeden van onttrekking te rechtvaardigen. De rechtbank stelde vast dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was en dat de belangenafweging in redelijkheid niet tot deze maatregel kon leiden.
De maatregel werd op 2 september 2002 opgeheven nadat de vreemdeling was uitgezet. De rechtbank kende vervolgens een schadevergoeding toe van 570 euro voor de zes dagen die de vreemdeling in bewaring had doorgebracht, omdat de bewaring in strijd was met de Vreemdelingenwet 2000 en de waarborgen die de wet biedt.
Tegen deze uitspraak was geen rechtsmiddel mogelijk. De rechtbank benadrukte dat matiging van de schadevergoeding slechts in uitzonderlijke omstandigheden aan de orde kan zijn, welke hier niet aanwezig waren.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de vreemdelingenbewaring onrechtmatig was en kent een schadevergoeding van 570 euro toe.