ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8817
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek Iraakse Chaldeeuwse christen wegens onvoldoende bewijs vervolgingsgevaar
Eiseres, een Iraakse Chaldeeuwse christen, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van vreemdelingenrecht vanwege vermeende vervolging in Irak. Zij stelde dat zij en haar familie werden bedreigd vanwege hun geloof en politieke activiteiten. De rechtbank beoordeelde dat eiseres onvoldoende bewijs leverde voor haar vrees voor vervolging, mede vanwege tegenstrijdigheden in haar verklaringen en het ontbreken van reisdocumenten.
Verweerder stelde dat de situatie in Irak niet zodanig is dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Ook wees de rechtbank op het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken waarin werd gesteld dat christenen in Irak vrij zijn hun geloof te belijden en geen systematische vervolging ondervinden. Bovendien werd het argument van eiseres dat Noord-Irak geen verblijfsalternatief zou zijn, verworpen op basis van vaste jurisprudentie van de Raad van State.
De rechtbank weigerde kennis te nemen van nieuwe informatie die ter zitting werd ingebracht wegens strijd met de goede procesorde. Gezien het voorgaande oordeelde de rechtbank dat het bestreden besluit van verweerder, de afwijzing van de verblijfsvergunning, op goede gronden berust en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.