ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8131

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
24 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1.1845
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • R.A.C. van Rossum
  • C.G. Tjebbes
  • J. Kramer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37c SrArt. 77c SrArt. 77w SrArt. 69 lid 1 Beginselenwet verpleging ter beschikking gesteldenArt. 1 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige plaatsing jeugdige

Eiser was bij vonnis van 18 december 1998 geplaatst in een inrichting voor jeugdigen. Hij verbleef tot 8 november 1999 als passant in een penitentiaire inrichting en werd daarna geplaatst in een rijksinrichting voor jeugdigen en later in een jeugdbehandelingsinrichting. Eiser vordert van de Staat een schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige plaatsing en wachttijd in een tbs-inrichting, met verwijzing naar eerdere jurisprudentie over onrechtmatigheid en schadevergoeding bij tbs-passanten.

De Staat voert verweer en stelt dat eiser niet de juiste beroepsgang heeft gevolgd. De rechtbank stelt vast dat eiser niet onder de groep valt waarvoor beroep mogelijk is op grond van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, maar wel onder de regeling van artikel 77w Sr bij het College van advies voor de justitiële kinderbescherming. Eiser heeft deze bijzondere beroepsgang niet doorlopen.

Daarom oordeelt de rechtbank dat het verblijf van eiser in de penitentiaire inrichting en de rijksinrichting voor jeugdigen rechtmatig was. De vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de Staat wordt afgewezen en eiser wordt in de proceskosten veroordeeld.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding wegens het niet volgen van de voorgeschreven beroepsgang.

Uitspraak

8/B
rolnummer : 01.1845
datum vonnis : 24 juli 2002
RECHTBANK ´s-GRAVENHAGE,
sector civiel recht - meervoudige kamer B.
Vonnis in de zaak met bovenvermeld rolnummer van :
[eiser],
wonende te [woonplaats], verblijvende te [verblijfplaats],
eiser,
procureur : mr.M.E.L.Klein,
tegen
de Staat der Nederlanden (ministerie van justitie),
zetelend te ´s-Gravenhage,
gedaagde,
procureur : mr.A.Th.M.ten Broeke.
Partijen zullen hierna aangeduid worden als [eiser] en de Staat.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van het geding, te weten :
- de conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding van 23 mei 2001;
- de conclusies van antwoord (met producties), repliek (met producties) en dupliek (met productie).
1. De feiten :
1.1. Aan [eiser] is bij vonnis van 18 december 1998 door de arrondissementsrechtbank te
´s-Gravenhage met toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opgelegd. Dit vonnis is op 2 januari 1999 onherroepelijk geworden.
1.2. [eiser] verbleef tot en met 8 november 1999 als passant in de penitentiaire inrichting "Noordsingel" te Rotterdam. Op 8 november 1999 is hij geplaatst in de rijksinrichting voor jeugdigen "De Hartelborgt" te Spijkenisse. Op 14 april 2000 is hij met zijn toestemming geplaatst in de jeugdbehandelinrichting "Harreveld" te Harreveld.
2. De vordering en het verweer :
2.1. [eiser] vordert de Staat te veroordelen hem een bedrag van ƒ.11.250,= te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.
Hij legt aan die vordering ten grondslag dat de Staat jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, omdat hij niet tijdig overeenkomstig artikel 37c Sr in een tbs-inrichting is geplaatst. Voor de hoogte van de daarvoor toe te kennen schadevergoeding wenst hij analoge toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 1998 (NJ 1998, 741), waarin het verblijf van een tbs-passant in een huis van bewaring in beginsel na zes maanden onrechtmatig is geacht, en van het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 25 februari 1999 (Sancties afl.4, 1999), waarin een maatstaf is ontwikkeld voor bepaling van de hoogte van de door de Staat te betalen schadevergoeding (ƒ.1.000,= per maand te rekenen vanaf zes maanden, waarbij gedurende ieder kwartaal dat het verblijf voortduurt de maandelijkse vergoeding wordt verhoogd met ƒ.250,= per maand).
Subsidiair vordert [eiser] een vergoeding van ƒ.4.450,= analoog aan de recente rechtspraak van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming met betrekking tot de wachttijd voor tbs-passanten.
2.2. De Staat voert gemotiveerd verweer.
3. De beoordeling van het geschil :
3.1. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen en dat [eiser] niet viel onder degenen die in artikel 69, eerste lid aanhef, juncto artikel 1, aanhef en onder i of j, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden zijn bedoeld. [eiser] had derhalve niet de mogelijkheid tegen zijn plaatsing in de penitentiaire inrichting "Noordsingel" en in de rijksinrichting voor jeugdigen "De Hartelborgt" in beroep te gaan op grond van die wet, zoals de Staat betoogt.
3.2. De rechtbank stelt echter tevens vast dat [eiser] wel de mogelijkheid had tegen die plaatsingsbeslissingen in beroep te gaan overeenkomstig het toen nog geldende artikel 77w Sr bij het College van advies voor de justitiële kinderbescherming, bedoeld in artikel 81 van Pro de Wet op de jeugdhulpverlening. Daarmee regelde de wet een bijzondere beroepsgang, die, gelet op de daaraan gestelde vereisten volgens de inhoud van het toen geldende artikel 77w Sr, met de nodige processuele waarborgen was omkleed. Deze beroepsgang had [eiser] moeten doorlopen voordat hij zich ter zake van geschillen als de onderhavige tot de burgerlijke rechter kan wenden. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] van deze beroepsgang gebruik heeft gemaakt.
3.3. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het verblijf van [eiser] in de Noordsingel en De Hartelborgt als rechtmatig moet worden aangemerkt, zodat zijn vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de Staat zal worden afgewezen.
3.4. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden verwezen.
4. De beslissing :
De rechtbank :
verklaart [eiser] in zijn vordering niet ontvankelijk;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op
€ 215,55 aan griffierecht en € 662,= aan salaris procureur.
Dit vonnis is gewezen door mrs R.A.C.van Rossum, C.G.Tjebbes en J.Kramer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.