ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8052
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning en weigering opschortende werking bij ambtshalve weigering
Verzoeker, een staatloze Palestijn uit Libanon, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als alleenstaande minderjarige vreemdeling en als staatloze die Nederland niet kan verlaten. De Minister wees deze aanvraag af vanwege onvoldoende geloofwaardigheid van verzoekers afkomst en identiteit.
De rechtbank overwoog dat verweerder niet verplicht was nader onderzoek te verrichten naar de echtheid van de overgelegde documenten, mede omdat het slechts om een kopie ging. Verzoeker kon essentiële vragen over zijn achtergrond niet adequaat beantwoorden, waardoor zijn asielrelaas werd verworpen.
Daarnaast stelde verzoeker dat het ingediende bezwaarschrift van rechtswege opschortende werking zou hebben op de ambtshalve geweigerde verblijfsvergunningen. De rechtbank verwierp dit standpunt, omdat de hoofdregel in bestuursrecht is dat bezwaar niet opschort tenzij de wet dit uitdrukkelijk bepaalt, wat hier niet het geval was.
De rechtbank oordeelde dat het belang van de Staat bij onmiddellijke uitvoering van het besluit zwaarder woog dan het belang van verzoeker bij een voorlopige voorziening. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.