ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7969
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning na feitelijke verbreking huwelijk en verzoek voortgezet verblijf voor arbeid
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, was in het bezit van een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn Nederlandse echtgenote. Na feitelijke verbreking van het huwelijk, dat korter dan drie jaar had geduurd, trok de Staatssecretaris van Justitie de vergunning in. Eiser maakte bezwaar en stelde tevens dat hij in aanmerking kwam voor voortgezet verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking van de vergunning terecht was omdat de vergunning was verleend onder de voorwaarde van verblijf bij de echtgenote, en deze voorwaarde niet meer werd vervuld. De rechtbank stelde vast dat eiser voldoende gelegenheid had gehad om zijn zienswijze naar voren te brengen, en dat de processen-verbaal waarop het besluit was gebaseerd uiteindelijk wel aan eiser bekend waren gemaakt.
Ten aanzien van het verzoek om voortgezet verblijf voor arbeid stelde de rechtbank zich onbevoegd omdat daarvoor een aparte aanvraag vereist is en het bezwaar tegen de intrekking van de oorspronkelijke vergunning niet strekt tot beoordeling van een nieuw verblijfsdoel. Dit onderdeel werd doorgezonden als bezwaarschrift naar de verweerder.
De rechtbank concludeerde dat het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning ongegrond is en dat het beroep voor zover het ziet op het niet verlenen van een vergunning voor arbeid niet-ontvankelijk is. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de rechtbank verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek om voortgezet verblijf voor arbeid.