ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7089
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen oplegging vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De vreemdeling, met Poolse nationaliteit, werd op 21 juli 2002 onderworpen aan een vrijheidsontnemende maatregel (bewaring). Verweerder heeft de rechtbank hiervan op 23 juli 2002 ambtshalve in kennis gesteld, waarmee het beroep tegen deze maatregel geacht werd te zijn ingesteld. Op 25 juli 2002 werd de bewaring opgeheven en werd de vreemdeling uitgezet naar Polen.
De gemachtigde van de vreemdeling heeft bij brief van 29 juli 2002 aangegeven kennis te hebben genomen van de opheffing van de bewaring en de uitzetting, en zag geen grond voor een schadeverzoek. Zij stelde zich niet bevoegd om het beroep in te trekken omdat het beroep ambtshalve was ingesteld. De rechtbank oordeelde echter dat de ambtshalve kennisgeving als een door of namens de vreemdeling ingediend beroepschrift geldt, en dat de gemachtigde het beroep wel kan intrekken, tenzij er geen contact meer mogelijk is met de vreemdeling.
Omdat de bewaring inmiddels is opgeheven en niet onrechtmatig was, is de grondslag van het beroep komen te vervallen. De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel.
Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel wordt niet-ontvankelijk verklaard.