ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7080
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.P.M. Elderman
- G. Blomsma
- H.F.J.M. Schröder
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen intrekking voorwaardelijke vergunning tot verblijf Iraakse asielzoeker
Eiser, een Iraakse asielzoeker afkomstig uit Centraal-Irak en behorend tot de Sabeën-Mandeërs, maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) door de Staatssecretaris van Justitie. De intrekking was gebaseerd op het beleid dat Iraakse asielzoekers niet langer in aanmerking komen voor een vvtv, mede vanwege het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief in Noord-Irak.
De rechtbank overwoog dat het ontbreken van banden met Noord-Irak niet relevant is voor de vraag of Noord-Irak als beschermingsalternatief kan gelden. Tevens concludeerde de rechtbank dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat verblijf in Noord-Irak voor hem een humanitaire noodsituatie zou veroorzaken. De rechtbank nam kennis van het instellen van een vertrekmoratorium voor asielzoekers uit Centraal-Irak, bedoeld om onzekerheid over terugkeer te adresseren.
Hoewel eiser stelde dat het moratorium niet passend was en dat het beleid eerder aangepast had moeten worden, oordeelde de rechtbank dat het overleg tussen de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken en de KRG nog gaande is en dat het moratorium een redelijke en tijdelijke maatregel is. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf wordt ongegrond verklaard.