ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7018
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar verblijfsvergunning asiel
Eiser, van Burundische nationaliteit, diende een aanvraag in voor toelating als vluchteling en kreeg een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) toegekend op grond van de d-grond van artikel 29 Vw Pro 2000. Zijn bezwaar tegen de weigering van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op de a tot en met c-gronden werd niet-ontvankelijk verklaard door verweerder, omdat eiser geen rechtens relevant belang zou hebben bij toetsing van die gronden.
De rechtbank overweegt dat een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd slechts kan worden verleend indien de vreemdeling voorafgaand aan de aanvraag drie jaar rechtmatig verblijf heeft gehad op basis van een vergunning voor bepaalde tijd, hetgeen hier niet het geval is. Tevens oordeelt de rechtbank dat het primaire besluit niet in rechte onaantastbaar is, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard mocht worden.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak dat procesbelang ontbreekt zolang de vreemdeling een geldige vergunning op de d-grond heeft. Pas bij intrekking of niet-verlenging van die vergunning ontstaat belang om de overige gronden te toetsen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen weigering van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt ongegrond verklaard.