ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6673
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid voortduring vrijheidsontnemende maatregel voor Somalische vreemdeling wegens ontbreken vertrekmogelijkheid
De vreemdeling, van Somalische nationaliteit, werd op 11 juni 2002 de toegang tot Nederland geweigerd en direct een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel werd op 14 juni 2002 afgewezen, waarbij de maatregel werd gehandhaafd. De vreemdeling voerde aan dat de voortzetting van de maatregel onrechtmatig was omdat er geen mogelijkheid tot vertrek uit Nederland bestond en zij onvoldoende geïnformeerd was over de maatregel.
De rechtbank constateerde dat de inhoud en strekking van de maatregel uiteindelijk in de Somalische taal aan de vreemdeling waren medegedeeld, waardoor geen sprake was van belangenbeschadiging. Tevens werd vastgesteld dat de vreemdeling niet beschikte over geldige reisdocumenten en dat de Nederlandse autoriteiten geen claim op de luchtvaartmaatschappij hadden gelegd.
De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin was vastgesteld dat Somalische vreemdelingen feitelijk geen mogelijkheid hebben om Nederland te verlaten, mede doordat de Internationale Organisatie voor Migratie geen ondersteuning meer biedt voor reisdocumenten. Hierdoor is de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel niet langer redelijk te rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval opheffing van de maatregel met ingang van 24 juni 2002, kende een schadevergoeding toe van €500 voor het verblijf in het Aanmeldcentrum Schiphol en het Grenshospitium, en veroordeelde de Staat in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, heft de vrijheidsontnemende maatregel op en kent een schadevergoeding van €500 toe.