ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6177
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens herleving vrije termijn na beëindiging strafrechtelijk onderzoek
Eiser werd op 16 mei 2002 aangehouden op verdenking van poging tot doodslag en vervolgens in verzekering gesteld. Na zijn strafrechtelijke invrijheidstelling werd hij op 22 mei 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op uitzetting wegens een vermeende inbreuk op de openbare orde. Eiser stelde beroep in tegen deze bewaring.
De rechtbank onderzocht of de bewaring rechtmatig was en oordeelde dat de vrije termijn van verblijf van rechtswege eindigt bij concrete aanwijzingen van een inbreuk op de openbare orde. De enkele verdenking van een strafbaar feit is echter niet gelijk te stellen aan zulke concrete aanwijzingen. Bovendien kan de vrije termijn herleven nadat een verdenking is komen te vervallen.
In dit geval was het strafrechtelijk onderzoek tegen eiser beëindigd zonder dagvaarding, en werd hij overgedragen aan de vreemdelingendienst. Op het moment van oplegging van de bewaring was er geen strafvervolging meer en verbleef eiser rechtmatig in Nederland. Daarom was de bewaring onrechtmatig.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, kende eiser een schadevergoeding toe van € 990,-- en veroordeelde de Staat tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman op 17 juni 2002.
Uitkomst: De bewaring van eiser was onrechtmatig omdat de vrije termijn herleefde na beëindiging van het strafrechtelijk onderzoek, waardoor eiser rechtmatig in Nederland verbleef tijdens de bewaring.