ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5835
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van Rossum
- Valk
- Strijards
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd in uitleveringsverzoek Verenigde Staten
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde op 29 januari 2002 een verzoek tot uitlevering van een persoon door de Verenigde Staten. De zaak betrof een strafvervolging waarvoor de Verenigde Staten via hun ambassade een uitleveringsverzoek hadden ingediend bij de Nederlandse minister van Justitie. Diverse stukken, waaronder verklaringen, aanklachten en aanhoudingsbevelen, waren overgelegd.
De raadsman van de opgeëiste persoon voerde aan dat de rechtbank niet bevoegd was omdat de voorlopige aanhouding in het arrondissement Amsterdam had plaatsgevonden. De officier van justitie stelde echter dat de rechtbank wel bevoegd was, onder meer omdat het verzoek was voortgekomen uit een rechtshulpverzoek in 's-Gravenhage en een van de betrokken personen zich in dat arrondissement bevond.
De rechtbank oordeelde dat artikel 20 van Pro de Uitleveringswet strikt moet worden uitgelegd en dat de fysieke locatie van de opgeëiste persoon bij de eerste handeling bepalend is voor de bevoegdheid. Omdat de opgeëiste persoon zich niet in het arrondissement 's-Gravenhage bevond bij de aanhouding, was de rechtbank niet bevoegd. De rechtbank wees de vordering tot gevangenhouding af en beval de opheffing van de bewaring van de opgeëiste persoon.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het uitleveringsverzoek en beveelt opheffing van de bewaring van de opgeëiste persoon.