ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5530
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting bewaring en vaststelling nationaliteit vreemdeling
De zaak betreft een beroep van een vreemdeling tegen de voortzetting van zijn bewaring door de Staatssecretaris van Justitie. De vreemdeling werd maandelijks schriftelijk verzocht om nadere inlichtingen over zijn identiteit en nationaliteit, maar werd niet altijd persoonlijk gehoord. De rechtbank onderzocht of deze handelwijze in overeenstemming was met het beleid uit de Vreemdelingencirculaire 2000.
De rechtbank stelde vast dat het uitsluitend maandelijks toezenden van schriftelijke vorderingen zonder persoonlijk gehoor niet voldoet aan de vereiste voortvarendheid. Daarom moet de vreemdeling minimaal eenmaal per drie maanden persoonlijk worden gehoord, tenzij bijzondere omstandigheden of ontwikkelingen in het onderzoek een vaker gehoor rechtvaardigen. Tevens moet een gehoor plaatsvinden wanneer de vreemdeling hierom verzoekt.
De rechtbank vond de omschrijving van de schriftelijke vordering voldoende duidelijk en oordeelde dat de Staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld, mede omdat de vreemdeling zijn paspoort ontving en de uitzetting in voorbereiding was. Het beroep werd ongegrond verklaard en de bewaring mocht worden voortgezet.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de voortzetting van de bewaring wordt ongegrond verklaard en de bewaring mag worden voortgezet.