ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5501
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om verblijfsvergunning en voorlopige voorziening voor Soedanese vluchtelingen
Verzoekers, afkomstig uit Soedan en van Dinka afkomst, hebben een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Verweerder heeft deze aanvragen afgewezen omdat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het relaas van verzoeker A over gedwongen herrekrutering en ontsnapping uit een kazerne niet aannemelijk is. Ook de overlijdensakte van de vader en de verdwijning van de broer wekken twijfels en leiden niet tot het oordeel dat sprake is van gerichte vervolging. Verzoekster B's detentie van drie dagen leidt niet tot een blijvende negatieve belangstelling door autoriteiten.
Verder is vastgesteld dat verzoekers langer dan zes maanden probleemloos in het noorden van Soedan hebben verbleven, waardoor zij niet in aanmerking komen voor categoriale bescherming. De rechtbank bevestigt dat het beleid van verweerder gebaseerd is op betrouwbare ambtsberichten. Er is geen sprake van een acute vluchtsituatie of medische noodzaak die verblijfsvergunning rechtvaardigt.
De rechtbank verklaart de bezwaren ongegrond en wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om verblijfsvergunning en voorlopige voorziening af wegens onvoldoende aannemelijkheid van vluchtelingenstatus en humanitaire gronden.