ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5488
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van openbare orde
De vreemdelinge, met Macedonische nationaliteit, is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij betoogde dat de maatregel onrechtmatig was omdat deze onjuist vermeldde dat de bewaring was opgelegd in het belang van de nationale veiligheid, waarvoor een bijzondere aanwijzing van de Minister vereist is. De rechtbank overwoog dat deze vermelding een kennelijke misslag betrof, aangezien de bewaring in werkelijkheid was opgelegd vanwege het belang van de openbare orde.
De rechtbank stelde vast dat de vreemdelinge geen geldige verblijfsvergunning had, zich had bediend van een vervalst paspoort en aliassen gebruikte, en verdacht werd van het plegen van een misdrijf. Hierdoor bestond een ernstig vermoeden dat zij zich aan uitzetting zou onttrekken, wat de grond voor inbewaringstelling in het belang van de openbare orde en met het oog op uitzetting rechtvaardigde.
De rechtbank oordeelde dat de vreemdelinge voldoende duidelijk was gemaakt dat de bewaring niet in het belang van de nationale veiligheid, maar van de openbare orde was opgelegd. Verder was er voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er waren geen gronden voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.