ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5235
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verlenging verblijfsvergunning afgewezen wegens ontbreken geldig reisdocument, vernietiging besluit
Verzoekster, afkomstig uit Noord-Irak en gehuwd met een in Nederland erkende vluchteling, diende een aanvraag in voor verlenging van haar verblijfsvergunning (vtv). De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet beschikte over een geldig reisdocument, zoals vereist volgens artikel 18 Vreemdelingenwet Pro 2000 en artikel 3.83 Vreemdelingenbesluit 2000.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster aannemelijk had gemaakt dat zij vanwege de situatie bij de Centraal-Iraakse autoriteiten geen geldig paspoort kon verkrijgen. Dit werd onderbouwd met een ambtsbericht waaruit bleek dat de uitgifte van documenten in Noord-Irak problematisch is en dat de Iraakse regering geen vertegenwoordiging in Nederland heeft. Verweerder kon niet aannemelijk maken dat verzoekster zich tot deze autoriteiten had kunnen wenden.
De rechtbank stelde vast dat het besluit van verweerder niet voldoende gemotiveerd was en in strijd met het motiveringsbeginsel. Het verzoek om voorlopige voorziening werd deels afgewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak betekent dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van verzoekster, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden dat zij geen geldig reisdocument kan verkrijgen.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen.