ECLI:NL:RBSGR:2002:AE4516
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning verblijfsvergunning met terugwerkende kracht na schending artikel 8 EVRM
Eiser, een Turkse nationaliteit bezittende vreemdeling, verbleef met onderbrekingen sinds eind jaren tachtig in Nederland. Na een eerdere afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning en een uitzetting in november 1995, diende hij opnieuw een aanvraag in op 2 november 1995. Deze werd afgewezen, waarna hij een klacht indiende bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
Het EHRM oordeelde op 11 juli 2000 dat Nederland artikel 8 EVRM Pro had geschonden door onvoldoende bescherming van het gezinsleven tussen eiser en zijn zoon. Naar aanleiding hiervan verleende de Staatssecretaris van Justitie alsnog een vergunning tot verblijf met ingang van 11 juli 2000. Eiser betwistte deze ingangsdatum en vorderde dat de vergunning met terugwerkende kracht vanaf 2 november 1995 zou gelden.
De rechtbank overweegt dat de Staatssecretaris niet gebonden is aan de datum van de EHRM-uitspraak als ingangsdatum en dat het onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd is om de vergunning pas vanaf 11 juli 2000 te laten ingaan. Gezien het feit dat het EHRM heeft vastgesteld dat de belangen van eiser reeds in november 1995 onvoldoende waren beschermd, acht de rechtbank het redelijk en rechtvaardig om de vergunning met ingang van die datum toe te kennen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft, en bepaalt dat de vergunning zonder beperkingen vanaf 2 november 1995 geldt. Tevens veroordeelt zij de Staat in de proceskosten.
Uitkomst: De verblijfsvergunning wordt met terugwerkende kracht toegekend vanaf 2 november 1995.