ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3807
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Gorter
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring vreemdeling na strafrechtelijke heenzending
De vreemdeling, verdacht van het gebruik van een vals reisdocument en zonder vaste verblijfplaats, werd op 20 april 2002 vanuit het strafrecht heengezonden en direct overgedragen aan de vreemdelingendienst op grond van artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De eiser stelde dat er onrechtmatigheden waren in de tijdstippen vermeld in de processen-verbaal, waardoor hij onrechtmatig gedurende 29 minuten van zijn vrijheid was beroofd. Tevens voerde hij aan dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) voorafgaand aan de bewaring toestemming had moeten geven vanwege zijn ingediende asielaanvraag.
De rechtbank overwoog dat het niet onomstotelijk vaststaat dat de tijdstippen in de processen-verbaal op dezelfde momenten zien, maar dat dit geen onrechtmatigheid van de bewaring oplevert. De belangen van de overheid bij de inbewaringstelling wegen zwaarder dan het individuele belang van de vreemdeling, mede gezien de verdenking van een strafbaar feit en het ontbreken van een vaste verblijfplaats. Ook is in de Vw niet bepaald dat voorafgaande toestemming van de IND vereist is voor bewaring van asielzoekers. De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet in strijd is met de Vw en dat het beroep ongegrond is.
Het verzoek tot opheffing van de maatregel en tot schadevergoeding werd afgewezen. De rechtbank vond geen aanleiding om een van de partijen te veroordelen in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van de Rechtbank 's-Gravenhage op 3 mei 2002.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en de bewaring is rechtmatig.